Vooruit, een keertje egosurfen

Tags

, , , , ,

In de loop van het jaar met alle bezigheden heb ik nooit naar mezelf gezocht op internet, die egoactiviteit die soms toch nodig is. Egosurfen schijnt het te heten, zag ik laatst.
Te druk, daar kwam ik niet aan toe. Voor je het weet ben je uren bezig, daar kan ik van schrikken. Bovendien is er altijd kans dat je iets tegenkomt waar je mee aan de slag moet of dat je aan het denken zet. Liever kijk ik rond als ik tijd heb, als mijn hoofd vrij is, als het niet uitmaakt wat ik onder ogen krijg. Welke recensie of reactie ook. Iets interessants misschien, iets waar ik op kan inhaken, op kan reageren, kan gebruiken op plekken die ik geschikt vind. Maar ja, die tijd moet je dan ook weer hebben, of kunnen nemen. Of willen nemen.
Alles wat ik wil doen of nodig vind, doe ik vroeg of laat wel, is mijn beeld van mezelf. Maar het een of het ander kan best een flinke tijd op zich laten wachten.
Nu pas heb ik me verdiept in een filmpje dat opgenomen is op de boekenbeurs in Antwerpen, in een reeks ‘van debutant tot bestsellerauteur’. En ik heb ook nu pas opgepikt dat het boek over filosofie en theologie in de jeugdliteratuur al lang uit is. Een hele tijd geleden al kreeg ik via via een paar vragen van de schrijfster, werkzaam aan de universiteit van Leuven.
Tussendoor heb ik me wel eens afgevraagd hoe het er mee stond, zoals wel vaker, en ik ben er niet achteraan gegaan. Nu blijkt dat in dat boek ‘Spinsels van een kater’ genoemd wordt.
Daar kan ik toch hier of daar wel iets mee, net als met dat filmpje. Dat moet ik actiever gaan doen, dat is zinnig. Dat is belangrijk om vast te stellen –iets moet zinnig zijn, en graag weet ik dat zeker van te voren. Ik kan me niet zo veel tijdverspilling veroorloven.
Misschien zou daar toch wat meer ruimte voor moeten komen, en trouwens, wat is tijdverspilling?  Je kunt niet altijd van te voren weten welke activiteit wat oplevert. Een paar uur rondsurfen is niet zinloos. Zolang ik het niet al te vaak doe, tenminste. Ik lees ook, en ik loop ook en ik denk ook, gelukkig maak ik daar wel altijd tijd voor. Het is helemaal niet zo dat er helemaal geen losheid in mijn gang door het hedendaagse leven zit. Bij die bezigheden vraag ik me ook nooit af wat het me heeft opgeleverd.
Laat ik me niet te druk maken, ik herhaal: alles wat ik wil doen of nodig vind, doe ik vroeg of laat wel.
Al mijn verschillende werkzaamheden zetten het schrijven van een boek onder druk, dat speelt hier, maar ook daar hoef ik niet te moeilijk over te doen. Doorgaan, alles op zijn tijd, genieten van de diversiteit, en op het geschikte moment de ene of de andere activiteit wel even extra opporren.
*
Spinsels van een kater past wel in dat boek over filosofie. En wie weet dacht de auteur in dit geval toch ook een beetje aan theologie. Kater Bram voelt zich erg verwant met mensen en vraagt zich af wat er achter kan zitten. Een van de mogelijkheden die hij ziet is dat hij als zoon van God op aarde is gekomen, om in de gedaante van een kater onder de mensen te verkeren. Dit fragment wordt genoemd.
Stiekem schuilen in veel van mijn boeken allerlei verwijzingen naar filosofie, bijvoorbeeld ook in Neil en ik, waar het onder andere gaat over het Zelf. Allemaal op een speelse manier wat mij betreft, Spinsels is ook vast een van mijn meest humoristische boeken –in mijn eigen ogen, dat gaat allemaal heel goed samen.
Ik zag ook lezersrecensies op sites, bijvoorbeeld van Dwaalsporen en Tweesprong, die me eerder ontgaan waren. Opwekkende, stimulerende reacties.
Waar je op stuit, kan natuurlijk veel energie geven. Zo’n filmpje vertelt me veel over mezelf, soms schrikken, bijna te expressief, maar het went,  het is allemaal niet te erg. Geloof ik, vind ik zelf.
Een filmpje zonder geluid kan soms nog erger lijken dan hetzelfde filmpje met geluid. Zonder geluid vallen het drukke gebaren en de beweeglijkheid nog meer op.
Ik kan óók kijken, toekijken, beschouwen, dat past soms ook in de situatie. Maar als ik aan de bak moet en iets wil overbrengen, kan ik me er wel vol ingooien.
*
In Noord Nederland is het nog steeds geen vakantie, op het Haarlemcollege geef ik morgen nog een workshop bij Theater en media.
Net als vorig jaar doe ik er aan het eind van het schoolseizoen nog een reeksje van vijf dubbeluren per klas, dat zijn er deze keer twee. Een kleine introductie in theater, waarin timing, en bijvoorbeeld tijdsbesef, centraal staan.
De leerlingen krijgen opdrachten van vijftien, dertig en zestig seconden. Wat kun je binnen die tijd doen?
Monologen en dialogen, rolopbouw, verhoudingen tussen personages, mise-en-scènes. Inspiratiebron is mijn boek Jordi gebleven, Jordi staat in het midden, en wie staan er om hem heen? Hoe verhouden al die mensen zich tot hem, en hij tot ieder van hen?
Op het eind maakt Frank korte filmpjes, we combineren ook weer met film en filmmuziek. Vorig jaar Hitchcock en dit jaar Fellini. Afgelopen dinsdag hebben we scènes gespeeld met op de achtergrond een scherm met fragmenten van la dolce vita, en ook met een grote rol voor de muziek.
Magische combinaties maken, het levert altijd wat op. De opdracht waarbij we dit deden, draaide ook om combineren, met als resultaat een vorm van absurdisme: twee mensen maken eerst een mise en scène, hoe gekker hoe beter, hoe gestileerder hoe beter, en pas daarna krijgen ze de tekst van een dialoog. En die moeten ze dan wel zo levensecht en zo serieus mogelijk spelen.
En dat dan met op de achtergrond een Fellinifragment, en niet te hard Fellinimuziek.

Advertenties

De band tussen het Muiderslot en Amsterdam

Tags

, , , ,

De voorjaarseditie van Kasteeljuweel op het Muiderslot begon dit jaar pas laat in mei, op 22 mei om precies te zijn. Dat heeft te maken met de verschillende vakantiezones in de Nederlandse regio’s. De laatste was gisteren, op 14 juni.
Ik vond het prettig, nu had ik minder last van overlappende activiteiten. En meer richting zomer, meer groen in de tuinen. Het is en blijft toch grotendeels een buitenactiviteit. Gelukkig kwam het de scholen ook goed uit, ze gaan in deze streken nog lang door.
Veel goed weer, heerlijk elke ochtend op de fiets door het groen bij IJburg, langs het IJssselmeer en de volkstuintjes bij Muiden. Alleen als ik het niet kon combineren met andere activiteiten fietste ik niet.
Veertien keer ben ik heen en weer gegaan, de eerste keer om de nieuwe tentoonstelling te bekijken, onze inspiratiebron voor dit jaar.
Het onderwerp is deze keer de band tussen Amsterdam en het Muiderslot. Aan elk van de vier ruimtes op de expositie is een opdracht gekoppeld. En daarnaast aan de pruimenboomgaard achter het kasteel en aan het beeld van Tesseltje, vriendin en muze van P.C. Hooft, in de kruidentuin. Die twee ‘usual suspects’ passen heel goed bij het onderwerp.
Zelf leer ik van elke tentoonstelling meer en telkens verbinden zich meer en meer puzzelstukjes en deeltjes kennis tot grotere gehelen. Heerlijk vind ik het om op de inleidende rondleiding van plusminus drie kwartier verhalen te vertellen zoals over de Amsterdamse burgemeesterszoon Gerard Bicker die zich als drost van Muiden laf toonde tijdens een aanval op het slot, dat gered werd door de dappere keukenmeid Marretje. Op de achterkant van de opdrachten hebben we teksten gezet, zoals gedichten en teksten van P.C.Hooft en van Vondel, die samenhangen met het onderwerp. Of fragmenten van dialogen zoals uit ’t Muijdens spookje’ (ik las eerst “sprookje”) over Marretje.
Een sport om te kijken in hoeverre wij die teksten, veelal uit de zeventiende eeuw, kunnen volgen.
Ik sloeg de scholieren daar niet te lang mee om de oren. Vaak las ik wel iets voor, dat pikten ze wel met plezier op en werd ook verwerkt in de gedichten. Ja, die Marretje redde het Muiderslot, tot verbazing van de mensen en al snel deden verhalen over haar de ronde. Dat zo’n meid dat kon. Er moest wel iets met haar aan de hand zijn. Er werd gezegd dat ze haar macht uitbreidde en dat die zich ging uitstrekken over heel Holland. Ze was natuurlijk door de duivel bezeten, wat betekende dat de duivel heel Holland regeerde.
Uit ongeloof ontstaan de angsten en verdachtmakingen.
Op elk opdrachtvel staat altijd een vraag die naar de teksten verwijst. De leerlingen konden kiezen voor één van de zes inspiratiebronnen. Zoals voor het zaaltje over de eerste bloeiperiode van Amsterdam, vanaf plusminus 1300, vanwege het tolprivilege verleend aan de Amsterdammers door graaf Floris de vijfde, de bouwheer van het Muiderslot.
Of voor de werkkamer van P.C. Hooft, met aandacht voor de Amsterdamse burgemeesterszonen die drost van Muiden werden, zoals verschillende telgen uit het geslacht Hooft, en natuurlijk de genoemde Gerard Bicker (bekend van een beroemd portret van Van der Helst.) Zo hadden die burgemeesters zelf toch een kasteelheer in de familie.
Of de deelnemers konden kiezen voor de slotkapel, waar het een en ander over de ontwikkeling van het theater in de zeventiende eeuw uit de doeken wordt gedaan. P. C. Hooft was oprichter van de eerste schouwburg in Amsterdam. En de ridderzaal van het Muiderslot zelf wordt beschouwd als het oudste nog in gebruik zijnde theaterpodium in Nederland. Hooft voerde er ook zijn eigen stukken op zoals Isabella. In juli sluiten wij daar Kasteeljuweel weer af, in de finale met de beste gedichten.
Ik heb deze editie genoten van alle veertien groepen, allemaal opgewekt, vol zin, geïnteresseerd. We konden ons programma uitvoeren zonder hinderlijkheden of stoorzenders. En ik ben blij met de gemaakte gedichten. Leerlingen vinden het prettig om door de tijd te kunnen reizen en te kunnen stilstaan waar ze willen. Of het bij het ‘nu’ is of bij het ‘toen’.
De inspiratie van al die bronnen is er altijd.
Hard gewerkt aan de opdrachten en ze werpen hun vruchten af. Ze maakten het werk aangenaam. Ik improviseer altijd maar goede voorbereiding en sterk materiaal maken Kasteeljuweel alleen maar swingender en sterker.

VERS debat en essay zijn twee wedstrijden in één en aan het eind wint Belgie

Tags

Weer heeft iemand uit België de finale van VERS debat en essay gewonnen. Wat heet, twee Belgische winnaars zelfs, voor debat van Kunsthumaniora uit Antwerpen, een school die voor het eerst heeft meegedaan, en voor essay Atheneum Gentbrugge, al zo vaak leverancier van winnaars.
De debatten waren levendig en boeiend, soms verrassend, ik was er tevreden mee.
Direct na afloop sprak een leraar uit Breda met wie ik goed overweg kan, me aan buiten de zaal, op zijn gebruikelijke joviale manier. Nee, de stellingen waren niet allemaal even sterk, riep hij, tijdens de voorronde in Breda waren ze beter geweest. ‘Nooit bijvoeglijke naamwoorden gebruiken,’ rondde hij zijn commentaar af.
Ik reageerde afhoudend, beetje geërgerd, zonder veel woorden. Na zo’n finale, zo’n slotshow aan het eind van maanden werken, lessen geven en voorrondes, moet ik alles altijd even op een rijtje zetten. Rond de stellingen is vaak discussie, iedereen heeft daar een mening over, er valt altijd iets over te zeggen. Soms lopen de discussies op en ik heb er wel eens veel moeite mee gehad. Maar ik kan ook denken dat het door de jaren heen eigenlijk altijd zonder al te veel spanningen is verlopen, gezien wat het had kunnen zijn. Altijd kwamen we er op de een of andere manier wel uit.
Elk jaar zoek ik, bedenk ik en formuleer ik weer nieuwe stellingen, vaak geïnspireerd op ideeën en opmerkingen van genomineerde dichters voor de VSB-poëzieprijs. En telkens verrast het me dat het mogelijk is om nieuwe invalshoeken te kiezen. We gaan altijd door met een mix van beproefd en nieuw. Al doende ontwikkelen we ook op dat vlak onze manieren van kijken en denken.
Tijdens de lessen op de scholen maak ik eigenlijk weinig mee dat de stellingen ter discussie gesteld worden. Soms een leerling, die bijvoorbeeld beweert dar er bij een bepaalde stelling geen tegenargumenten te vinden zijn. Vaak heb ik dan het geluk dat een andere leerling meent dat er juist geen argumenten vóór te vinden zijn. Zo neutraliseren ze elkaar dan, en anders toon ik aan dat de betreffende stelling leeft in de poëzie- of kunstwereld, en dat dit nu eenmaal het geval is vanwege het bestaan van voor- en tegenstanders. Als ik zeker weet dat een debat ook werkelijk gevoerd wordt, kan ik me daarop beroepen.
Met de leraren heb ik al helemaal weinig discussie over de stellingen, die zien altijd het nut ervan, we zijn aan het werk, we wisselen van alles uit, vanzelf pakken mensen betekenissen en bedoelingen op.
Ver voor de eerste voorronde heb ik gebrainstormd met Ilonka, mijn sparringpartner, over de stellingen van dit jaar. We hadden een heel reservoir, en voor de eerste voorronde heb ik twaalf stellingen ingediend. Iedereen was daarmee akkoord, zelfs enthousiast. Allerlei facetten kwamen aan bod, er zat afwisseling in, geen valkuilen zoals (dubbele) ontkenningen, helder geformuleerd enzovoorts.
Tijdens alle voorrondes hebben we die lijst in grote lijnen gehandhaafd, geen probleem, een rustig jaar in dit opzicht.
Voor de grote finale hebben we achttien stellingen nodig en dan willen we niet alleen de bekende en gewilde uit de voorrondes gebruiken. Ze moeten meer dan ooit sterk en goed zijn, helder, niet vatbaar voor misverstanden en noem maar op. Meer mensen buigen zich erover en dit jaar kwam er redelijk makkelijk een lijst uitrollen waar iedereen zich in kon vinden. Niet met het gemak zoals bij de voorrondes, ik moest ook wel een paar keer slikken maar ik stond er wel helemaal achter.
Als iemand dan direct na zo’n finale ineens weer over de stellingen zelf begint, val ik stil of begin ik toch wat tegen te pruttelen.
Ik moet me er bij neerleggen dat de debatten over de debatstellingen nooit zullen stoppen. Begrijpelijkerwijze. Ook niet als ik een keer denk: nu gaat het soepeler, nu zijn we er. Wel lastig soms, en op het verkeerde moment zoals na een grote finale heel vervelend.
Zou die heel aardige, joviale leraar dat niet snappen?
Toch eens even gaan kijken naar de bijvoeglijke naamwoorden in de stellingen. Hoe vaak, hoe veel, en maken ze de stellingen echt meer fluïde?
*
De twee laatste voorrondes van VERSdebat en essay kon ik eerder dit jaar, eind maart en begin april, niet bijwonen. Ik kon in die periode niet gemist worden bij de repetities van Victory over the sun. Dat soort dubbelingen zijn soms niet te vermijden, aan het begin van het seizoen is niet precies te voorspellen, hoe de werkschema’s uiteindelijk zullen uitpakken. Een van de lastigste elementen uit mijn praktijk. Volgend jaar hoop ik dit te vermijden maar het blijft de vraag of dat mogelijk is.
In het uur voorafgaand aan zo’n voorronde begeleidt Ilonka de deelnemers op het podium, ze legt de gang van zaken uit, doet een microfoontraining met ze, enzovoorts. Zelf fluister ik ze meer in het algemeen wat in, geef tips als ze er behoefte aan hebben, bemoedig ze. Maar als ik er niet ben, gaat de show wel door. Het is raar, gezien mijn betrokkenheid, ik ken altijd iedereen, heb telkens met iedereen gewerkt. Deze activiteit is een kindje van me, heb ik inhoudelijk ontwikkeld, ik heb opdrachten en materiaal verfijnd waaronder een werkbundel met gedichten, sparrend met Ilonka. Mijn afwezigheid bij Vers debat en essay is anders dan afwezigheid bij een (VERS)revue met gedichten. Hier zit ik dichter op.
Als ik er niet bij ben wordt dat ook niet altijd begrepen. Niet iedereen ziet dat het om een goed georganiseerd programma gaat, waar genoeg mensen bij betrokken zijn die altijd kunnen zorgen dat het goed loopt. Ja, achteraf natuurlijk wel.
Het minste begrip is er dan weer bij degenen die zelf ons improvisatievermogen het meest op de proef stellen. In Amsterdam bleek een grote groep leerlingen niet aan de voorronde te kunnen meedoen vanwege schoolreizen naar het buitenland die over het hoofd waren gezien. We hebben dat weten op te lossen, maar mijn afwezigheid bij die voorronde viel op de betrokken school even verkeerd. Terwijl ik juist daar door omstandigheden en aanpak ter plekke mijn programma niet goed en volledig kunnen uitvoeren. Er was altijd wat, ze waren te druk met zichzelf en hun eigen activiteiten bezig. Als mijn komst lastig in het programma was in te passen, riepen ze snel: We doen het zelf wel. Terwijl een ander gezicht voor de klas een deel van de waarde van zo’n speciale activiteit is. En zijzelf de materie alleen vanuit de tweede hand kunnen verwerken.
Jammer, dat heb ik niet eerder zo meegemaakt. Ook opmerkelijk dat juist deze school met vijf klassen wilde meedoen en ook heeft meegedaan. Ze hadden allemaal een andere leraar. Jammer, geen ideale situatie, juist op een school die pretendeert veel te bieden te hebben.
Het meest verbaasd was ik nog tijdens een les daar die ik heerlijk vond, vanwege de reacties van de leerlingen uiteraard. Het werd een soepele gang met voordrachten, vertellen en uitwisselen. Tegelijkertijd begon een lerares met de minuut afstandelijker te kijken.
Ik heb dat niet gesnapt.

Versie 2017 van Victory over the sun in het Stedelijk

Tags

, , ,

Afgelopen vrijdag hebben we de nieuwe versie van de voorstelling Victory over the sun in het auditorium van het Stedelijk museum opgevoerd. Ik ben blij met deze versie. De groep piekte op het juiste moment.
Dat hadden ze zelf al aangekondigd als wij, de begeleiders, erop wezen dat iets meer concentratie en energie vereist waren om er alles uit te halen.
Alleen al de dynamiek van een klas, waarbij inbegrepen de verschillen tussen mensen geeft telkens weer een andere voorstelling. Deze keer sprongen sommigen er vrijwel altijd vol in en trokken anderen mee, dat was mooi meegenomen. Het is altijd zaak om de momenten waarop vlakker gespeeld wordt niet te laten lopen en op zijn minst te benoemen. Er zo nodig steviger op te reageren maar op een uitgekiende, slimme manier en al helemaal niet blind, onderscheid makend tussen futloosheid waar geen kwaliteit tegen bestand is en het doseren van energie.
Daar wezen ze zelf regelmatig op: we sparen onze energie. Je kunt in alles doorslaan maar er zit een element van professionaliteit in zo’n opmerking.
Ik mocht deze groep graag en het ging er vooral om ieders kwaliteiten naar boven te halen, te versterken en vast te houden. Net als hun leraren kreeg ik er als regisseur en begeleider steeds meer vertrouwen in dat het wel goed zou komen.
Tekenend vond  ik de aanpak van een scène rond een tekst van van Doesburg, een aardige lap die we verdeeld hadden over vier meiden zodat het behapbaar werd. Lange tijd overwoog ik om meer tekst te schrappen dan ik bij aanvang al gedaan had, maar dat hielden de dames zelf tegen. Ze vonden dat ze de scène boeiend en krachtig moesten kunnen spelen zoals hij in het script stond waar we al mee werkten.
En het lukte hen, zeker na  het vinden van een sterke mise-en-scène, die variatie gaf en mede daardoor structuur en houvast. Eén voor één bestookten ze een sceptisch kijkend persoon, die niet direct veel ophad met de nieuwigheden van de moderne tijd (anno 1913). Ze dansten, zwermden, zweefden als het ware om haar heen en gaven haar om en om, al vragend en bezwerend, met een haast stiekeme overtuigingskracht, allerlei gedachten in overweging.

Bij deze groep heb ik ook genoten van de komische talenten, zij wisten haast intuïtief de grondtonen en kleuren van scènes te vinden. Vooral in scènes ontleend aan de Divina Comedia, waarin studenten enthousiast bespreken dat ze niets liever willen dan volle vaart vooruit bij het zoeken ‘naar het schone, het ware, het algoede.’

‘Je moet ontvankelijk zijn.’
‘Ik ben heel ontvankelijk.’
‘Ik ook, ik ben ook heel ontvankelijk.’
‘Het zal niet makkelijk worden.’
‘Nee, het zal zeker niet makkelijk worden.’

Een zacht ironische gretigheid, een goedig driftige drang, die even grappig als vertederend als hoopgevend is.
In het auditorium van het Stedelijk Museum speelden we de voorstelling van ruim zeventig minuten twee keer achter elkaar, met ertussen een paar entre’acts. Zelf had ik een aandeel in de geluids- en filmband die het hele stuk begeleidt. Op een ochtend in eind maart hebben filmer Frank en ik in het auditorium opnames van een aantal Victory over the sun teksten gemaakt waarin ik druk improviseerde, varieerde in toon, klank, snelheid, volume, noem maar op. Frank heeft fragmenten verspreid over de hele tijdspanne heen in de geluidsband gemonteerd. Dat pakte goed uit, alles viel op de geschikte momenten in elkaar, er ontstond een kloppend samengaan, dat kon de groep wel waarderen.
Iemand zei over dit stuk: ‘In het begin dacht ik, wat moet dit worden, geleidelijk begon het me te pakken, begon ik ook meer te begrijpen en kreeg ik steeds meer vertrouwen. Op het laatst had ik er echt plezier in. En nu ik het echt begin te snappen is het klaar.’

Victory over the sun stelt onze wil om te begrijpen op de proef en ik vind het knap in welke mate de leerlingen dat ‘willen begrijpen’ weten los te laten. Toch een teken van begrip. Deze keer lichten we wel tipjes van de sluier op door de combinatie met de teksten van van Doesburg en de scènes ontleend aan de Divina Comedia.

Op zoek naar een nieuwe, een andere, een betere wereld, hoe we die ook proberen op te bouwen, al of niet met een totaal nieuwe taal (letterlijk of figuurlijk), al of niet terug naar het begin, de start.
Ook het Stedelijk pikt onze aanpak helemaal op, begrijp ik van Frank. Ze zien hoe we Victory over the sun als basis nemen voor de tekst en er telkens een andere lading aan geven in combinatie met andere teksten en werk. Er zit nu een stabiele samenwerking voor een langere periode in.
Victory over the sun is theater en dans en film en audiokunst, en het is ook beeldende kunst. In deze versie zijn (weer) pakken van karton gebruikt á la Malevich, de bron van samenwerking met het Stedelijk.
Deze keer heeft Frank zelfs subsidie gekregen van de Malevich Society in New York.

Dankwoord

Tags

, ,

Van twee klassen heeft bijna iedereen uit het geheugen opgediepte gedichten ingeleverd, van de twee andere betreffende klassen in ieder geval flink wat leerlingen. Grote klasse. Jammer genoeg kwamen de meeste wat later binnen dan eerder was gedacht, heel begrijpelijk trouwens. Daardoor konden er toch minder geselecteerd worden dan ik had gedacht en gehoopt voor de VERSrevue in Gent, eergisteren.
Zelf kon ik daar niet eens bij zijn helaas, ik moest lessen geven in Antwerpen op de Kunsthumaniora, een middelbare school met kunstaccenten die voor het eerst meedoet aan VERS debat en essay. Daar heb ik twee jaar achteraan gezeten, ik wilde er graag werken.
Ruth Lasters geeft er les, één van de genomineerden voor de VSBpoëzieprijs van dit jaar. Haar bundel Lichtmeters is een van de inspiratiebronnen waarmee ik nu rondreis voor VERSgedichten. Eergisteren is ze een uurtje bij een van mijn lessen komen zitten. Zo’ n beetje ten tijde van de VERSrevue in Gent, die ik moest missen. Door presentator Christoph Vekemans liet ik de volgende tekst voorlezen:
Ik wil iedereen bedanken die zich heeft ingespannen om de gestolen gedichten weer boven water te krijgen. Onvoorstelbaar wat de leerlingen uit hun geheugen hebben weten op te diepen. Ik herkende veel fragmenten, meende zelfs dat sommige gedichten vrijwel in hun geheel weer tot leven zijn gewekt. En nu zo lang kunnen blijven als wij zelf willen. Alle klassen zijn zo toch in de revue vertegenwoordigd. Daar ben ik blij om en ik hoop dat jullie er zelf ook blij om zijn dat jullie je werk terug hebben.
Jammer dat ik er vanmiddag niet bij kan zijn. Veel groeten, vol waardering, J.

De uiteindelijke afloop had ik op 10 februari niet durven hopen: een revue met vertegenwoordigers uit alle klassen, gelukkig een aantal teruggehaalde gedichten. Wel iets minder dan mogelijk was geweest in het geval van iets meer tijd vlak voor de revue. Toch, de hele opzet gered, ik ben de leerlingen erg dankbaar en erkentelijk. Het liefst had ik iedereen nog meer in het zonnetje gezet, maar misschien is dat wat overdreven. Als het goed is halen ze zelf van alles uit wat ze hebben gedaan en gemaakt en weer opgediept –over het geheugen, over wat blijft hangen en leeft, na de extra moeite. Zo kan de VERServaring langer doorwerken.
Bij mij zelf heeft de hele affaire veel gedachten losgemaakt over de vluchtigheid van alles. Al die vaak fraaie gedichten, fragmenten en regels. Ook als ze niet geroofd worden vervaagt er al snel zo veel.
De diefstal heeft dat even manifester gemaakt.
Ik zou iedereen die iets moois heeft gemaakt die erkenning zodanig willen geven dat het ook echt doordringt. Het idiote is dat mensen het zelf vaak niet doorhebben en er niet op zitten te wachten.  Al geldt dat lang niet voor iedereen.

 

Voormalige kloosters als hotel

Tags

, ,

Gisteren heb ik de draad weer opgepakt, het was een intensieve dag die om 8.10 op een school in Antwerpen begon. Om kwart voor twaalf had ik daar al twee blokken achter de rug.
Ik had precies genoeg tijd om iets na half een de trein naar Gent te pakken, voor een retourtje. Daar heb ik een hele middag met een groep voor VERS debat en essay gewerkt.
Wel lekker dat ik er stevig tegenaan moest, zo raakt die hele beroving alleen maar sneller op de achtergrond. Het is alsof de invloed ervan niet zo groot is, alles gaat in rap tempo door. Maar ik blijf natuurlijk wel bezig met de oplossingen. Ik probeer te redden wat er te redden valt.
Voldongen feiten accepteer ik zo snel mogelijk en vervolgens probeer ik er de beste antwoorden op te vinden. De eerste berichten over klassen die in hun geheugen aan het wroeten zijn, komen binnen. Ze zijn meer dan veelbelovend.

De rest van de week moet ik een vroeg ritme aanhouden, meestal om 8.10 beginnen. Eigenlijk heb ik amper tijd om van het ontbijt te genieten dat vanaf zeven uur gereed staat.
Ik heb het niet slecht in die fraaie kamer. Vorige week verbleef ik in Gent in het Monasterium, ook al een voormalig klooster, maar het verschil kan bijna niet groter zijn. Elzenveld is een modern hotel geworden met alles erop en eraan, ik zit nu in een ruime kamer, kijk uit op een groot televisiescherm, zitje tot mijn beschikking, secretaire, uitgebreide badkamer, volle spiegelwand, noem maar op. Het klooster is vooral aan de buitenkant nog te herkennen, en ook wel in de gangen waar oude spullen staan.
In het Monasterium ademt alles nog het oude klooster. Ik zat daar in een kleine kamer, ‘zoals de paters vroeger leefden’, zei een dame van het hotel trots. Het tapijt zag er wat smoezelig uit en het kapstokje kwam scheef te hangen doordat een plug uit de muur viel. Het lag niet aan wild gedrag van mij, wie gelooft me? Wat oude, simpele meubels, een wastafel, een douche buiten de kamer (met het oog daarop een witte ochtendjas en te kleine slippers) en geen televisie. Gelukkig had ik toen mijn laptop nog, elke dag keek ik naar een gemist programma, meestal kwam ik niet aan meer dan drie kwartier. Geen enkel probleem dus, ik had het ook daar best naar mijn zin. Genoeg te doen. In de lange gangen met plavuizen vloeren langs de wanden kandelaars, beelden en andere spullen die je  in een klooster kunt verwachten. Een kapel is er nog volledig intact, een niet te kleine kerk eigenlijk, er wordt van alles georganiseerd, daar kwam ik altijd langs als ik naar binnen of naar buiten ging.
Het grappigste vond ik nog wel dat ik daar dat simpele kamertje elke ochtend combineerde met een heerlijk, uitgebreid ontbijtbuffet. Allerlei broodjes, kazen, vleeswaren, cakejes, paté’s, spek en crumbled eggs, kippenpootjes zelfs, noem maar op. Allemaal opgediend in een enorme zaal, een vroegere refter neem ik aan. Soms zat ik daar alleen, ook af en toe met een groepje bouwvakkers die rond het gebouw bezig waren. En een keer met collega Ineke.

Zondagmiddag in Antwerpen

Tags

,

Gisteren, zaterdagavond, ruim een dag na de beroving, trok ik in een kamer op Elzenveld, een voormalig klooster midden in Antwerpen dat nu een aangenaam hotel is, en ik nam er mijn gemak van. Geen druk programma in de stad, zoals een eerder plan, maar lekker op mijn kamer, vooral lezen.
En vanochtend niet te vroeg en niet te laat ontbijten. Daar heb ik de tijd voor genomen, en van genoten. Ik moest verkassen naar een kamer die voor me gereserveerd was en waar ik de rest van de week zal blijven.
Een riante kamer met een zitje en een heuse secretaire, zo’n welgevormd bureautje met laatjes waaraan je je allerlei historische personen kunt voorstellen.
Hier red ik het voorlopig wel, en ik kan rustig verder met de bezigheden die voortkomen uit de beroving. Mensen inlichten, oplossingen zoeken enzovoorts.
Ik wil de ‘getroffen’ klassen vragen om uit hun geheugen de verloren gedichten op te diepen. Wie weet hoe ver ze komen. Ik heb ze allemaal als geheugensteun digitaal de werkbundel met de gedichten van de genomineerde dichters voor de VSB-poëzieprijs en de bijbehorende opdrachten gestuurd, hun bronnen tijdens het werk. Hopelijk kunnen ze het schrijfproces zo makkelijker terughalen. Iemand zei al: interessante vervolgopdracht eigenlijk.
Niets is eenduidig.

Aan het eind van de middag ben ik de stad ingegaan om nog wat pennen, een notitieblok en een kleine agenda te kopen. Ik was net op tijd in een groot winkelcentrum om alles te kunnen krijgen wat ik wilde hebben. Tel uw zegeningen.
De materiële schade blijft voor mij een ondergeschoven kindje, ik regel wat nodig is en verder maak ik er me niet al te druk om. Het is de vraag of dat ook zo zou zijn geweest als ik alleen maar materiële schade zou hebben gehad. Mijn idee is dat ik me er dan echt drukker over zou hebben gemaakt.

Beroving in Antwerpen

Tags

, , , , ,

Inmiddels ben ik een week of drie, vier vrijwel continu onderweg, vooral reizen tussen Antwerpen, Gent en Amsterdam, met stops in steden als Rotterdam en Haarlem.
Twee keer heb ik één nacht bij mezelf gelogeerd in Amsterdam  –dat was onder andere nodig vanwege een poëzieactiviteit ronde de Februaristaking op het Pieter Nieuwlandcollege. Daar wilde ik graag aan meewerken en me in verdiepen, ook al werkte ik op dat moment het meest in Gent. Het lukte net om alles wat ik moet en wil doen te combineren. Discipline helpt me nu en is nodig, om te beginnen op tijd regelen en voorbereiden.
Aan het eind levert dat de vrijheid op die ik mezelf beloofd heb, zodat ik kan genieten van alle bezigheden, ontmoetingen, de dynamiek van het reizen en het zijn op verschillende plekken. Veel stress doordat ik telkens tijd tekort kom of doordat ik me afvraag of ik het red, heb ik niet.
Op deze manier kan ik inderdaad genieten van de drukte en de levendigheid, en geen enkele periode duurt eindeloos. Dit is een piek, deze periode is vaak een piek, al jaren.
Net als vorig jaar in deze maanden is het Centraal Station van Antwerpen een soort draaipunt. Door de aanslagen van de afgelopen jaren in Parijs en Brussel waar mensen uit Molenbeek bij betrokken waren lopen er nog steeds zwaarbewapende militairen rond. Net als op andere plekken waar veel mensen samenkomen. De School der Poezie heeft serieus overwogen om de activiteiten in België te staken –te riskant om er medewerkers naar toe te sturen. Stel dat er iets gebeurt, hebben ze gedacht als ik onderweg was, meer dan ikzelf.

Op Antwerpen centraal moet ik altijd overstappen op weg naar Gent of weer terug, of de stad zelf is mijn eindbestemming. En dan neem ik hier in de vroege ochtend weer trams of bussen naar de verschillende scholen waar ik hier werk.
Bij dat overstappen moet ik vaak wachten, drie kwartier meestal, te kort om iets te ondernemen en erg lang voor het gehang op perrons.
Dan zoek ik mijn heil nog wel eens in de ruimte bij de loketten, op de houten bankjes tussen de doorzichtige schuifdeuren en pilaren. Warm genoeg, in ieder geval niet te kil of te koud, veel te zien en toch overzichtelijk. Een geschikte plek om even te zitten, onderweg met twee stuks bagage. Altijd blijf ik wel alert, meestal ook met een arm door een hengsel van mijn rugzak, andere reistas bijvoorbeeld tussen mijn benen. Zoals wanneer ik op weg ben naar Schiphol of vanaf een vliegveld naar een logeeradres.

Tijdens mijn grote, langdurige reizen en ook dichtbij, bijvoorbeeld op de Albert Cuyp kies ik bij de situatie horende veiligheidsmaatregelen, voor pasjes, geld, tickets en ander waardevols. Met een beetje alertheid en verstandig opereren kun je best veilig de wereld door. In Amsterdam ben ik nooit beroofd, tijdens reizen zijn wel pogingen ondernomen, in Rio probeerde iemand ooit een rugzakje van me af te rukken, waardoor een handvat losscheurde. Mijn spullen had ik nog. En in Egypte is ooit geld gepikt dat ik, heel stom, in een appartement had achtergelaten. De dief was nota bene een oppasser, dat werd nog een hele affaire.
Alles bij elkaar heb ik tot nu toe weinig schade geleden door diefstal of beroving.

Afgelopen vrijdagmiddag, 10 februari 2017, ging het op het Centraal Station van Antwerpen wel mis, tijdens zo’n overstapstop van drie kwartier. Daar, op een van de houten bankjes bij de loketten, waar ik me juist heel veilig waande. Daar was overzicht, daar ontspande ik, met mijn reistas voor me en mijn rugzak links naast me. Met even geen arm door een hengsel. Vertrouwde plek, niets aan de hand, daar bij de schuifdeuren. Verslap je als je al drie weken met twee stuks bagage onderweg bent?  Ik heb dat gevoel niet, maar altijd gespannen blijven, spullen aan of op je lijf zelfs op plekken waar dat niet nodig lijkt en die ik erop uitkies, is misschien net iets te veel gevraagd.
Een bekende truc uitgevoerd door twee mannen deed me de das om. De een leidde me aan mijn rechterkant af door me in onduidelijk Frans iets te vragen. Iets over ‘train’ en  ‘Bruxelles’. Ik vroeg wat hij bedoelde. Opnieuw brabbelde hij iets en ineens vertrok hij heel haastig. Ik keek links van me, rugzak weg.
Daarin mijn laptop, paspoort, wat toiletartikelen, wat kleren, pennen, papierhandel. Het allerergste: de oogst van de dag aan gedichten, voor de VERSrevue op dinsdag 21 februari. Heel veel gedichten, van vier klassen maar liefst, ik was op twee scholen geweest en de betreffende klassen hadden op die dag hun gedichten afgemaakt. In één klas had ik twee uur lesgegeven.

Radeloos rende ik door de stationshal, met mijn overgebleven tas. Niemand te zien natuurlijk, tenminste van die mannen, anderen keken onverstoorbaar langs me heen.
‘Hoe kon ik zo stom zijn,’ riep ik een aantal keren, tot er een man op me afkwam die op zijn beurt herhaalde: ‘Je moet jezelf niets verwijten. Je kunt er niets aan doen, het is een valse truc.’ Met hem liep ik naar de politiemannen, hij had gezien hoe de lui ervandoor waren gegaan. Achteraf had ik hem meer willen vragen maar hij moest weg en ik ging met de politiemannen naar hun kantoortje voor de aangifte. Ze namen alles op met een wat afstandelijke routine, ze hadden dit duidelijk al te vaak meegemaakt. Op het randje af bleven ze net vriendelijk genoeg. Wisten zij veel, mijn ellende zat niet in het materiële verlies, bij mij draaide het alleen maar om de verloren gedichten. En ik dacht alleen maar aan de VERSrevue in Gent, hoe moest het met die show zonder deze gedichten?

Na het wegzakken van de eerste radeloosheid telde ik in dat eerste uur al wel mijn zegeningen. Door mijn volle programma en het krappe tijdsschema heb ik in de dagen hiervoor alles wat gereed was direct verwerkt en doorgestuurd. Dat ging om twee klassen voor de betreffende revue, en ik heb ook nog eens ruim geselecteerd, dertien gedichten in totaal die in ieder geval gebruikt kunnen worden. Daarnaast heeft mijn collega Ineke op een derde school met vier klassen gewerkt, ook de oogst daarvandaan blijft vanzelfsprekend intact.
Nog meer geluk: ook van de gedichten uit Amsterdam over de Februaristaking heb ik mijn selectie al gemaakt en voor de betreffende revue aangeleverd. Die gedichten moest ik op maandagmiddag laat haastig meenemen naar Gent, ik moest een trein halen, wilde ik daar nog een beetje op tijd aankomen. Als ik iets minder snel was geweest, waren die ook verloren gegaan. Nergens heb ik de afgelopen week tijd gehad om te kopiëren. Altijd moest ik vlug vlug naar trein of bus, voor de volgende etappe. Goed te doen, maar in die zin was er geen rust. Nu zit ik te denken dat ik leerlingen in het vervolg foto’s van hun gedichten kan laten maken. Dat gebeurt al regelmatig, soms past het binnen de opzet. Voor de zekerheid zou ik dat standaard kunnen invoeren. Maar de afgelopen week was zelfs dat lastig geweest – de leerlingen waren bijna allemaal tot op de laatste seconde bezig met het afmaken of vervolmaken van hun gedichten. Standaard ‘foto’s maken’ moet toch even georganiseerd worden, zeker als je wilt dat iedereen het ook daadwerkelijk doet. Dat kost zeker een aantal minuten, hoe simpel het ook is. En dan nog is het nergens een waterdichte garantie voor –leerlingen raken nogal eens wat kwijt, zelfs digitaal.
Toch allemaal het overwegen waard, daar ga ik mee aan de slag.

Ik zette alles op een rijtje, werd rustiger maar de spijt bleef enorm groot. Temeer daar de resultaten in een aantal klassen zo veelbelovend waren. Met een leraar had ik zelfs al besproken om er iets speciaals mee te doen, met al dat moois dat nooit allemaal in de revue terecht zou kunnen komen. Een gelegenheidsbundeltje, weet ik wat.
Weg alles en ik koester geen illusies, de kans dat we de inhoud van de rugzak met de spullen die voor de rovers nutteloos zijn terug vinden schat ik heel laag in.
Op het moment van de beroving was ik op weg naar mijn moeder, een half uur over de grens. Het was de bedoeling dat ik een etmaal zou overwippen, en dan weer naar Antwerpen zou terugkeren.
Dat ging door, een avond ook met zus en zwager volgde. Zaterdag overdag regelde ik nieuwe toiletartikelen, kocht scheerspullen, kwam tot mezelf. Mijn smartphone redde me, zus en zwager leverden me een oplaadsnoer dat zij over hadden.
Als dit me vier jaar eerder was overkomen, had ik het lastiger gehad. Volgens mij had je toen nog meer verschillende opladers, en als je de jouwe kwijt was, had je een probleem.
Vier jaar geleden stond ook al mijn e-mailverkeer nog niet op mijn telefoon, dat zou ook heel vervelend zijn geweest. Nu kon ik gewoon verder, te meer daar ook alle documenten die ik moest of wilde hebben via mijn telefoon beschikbaar waren. Een verdwenen laptop was nu niet onoverkomelijk, vier jaar geleden zou ik vast ook oplossingen gevonden hebben maar volgens mij met meer gedoe. En ik vermoed ook beperkter van omvang, ik zou me sneller bij onmogelijkheden hebben moeten neerleggen, schat ik in.
Boeiend op zich, die vergelijking, die voortgang van de technologie die zich hier manifesteert.
Weer zegeningen te tellen, ondanks alles.
Mijn paspoort ben ik kwijt maar al mijn pasjes heb ik nog en mijn bewijs van aangifte bij de politie opent genoeg deuren. Ik kan mijn reis voortzetten.

Gedichten als theater

Tags

,

Op 9 januari ben ik weer begonnen en ik heb inmiddels alweer drie dagen in Rotterdam gewerkt, voor VERS. Op een vertrouwde en ook weer een nieuwe school.
En gisteren – op zaterdag- met zeer geïnspireerde leerlingen van een theaterschool voor jongeren in Sneek gewerkt aan het theateraal vormgeven van gedichten van genomineerden voor de VSB poëzieprijs, als een entre’acte in de show van de VERS voorronde daar.
Een experiment, misschien een eenmalig iets, ingegeven door de specifieke situatie daar, met die theateropleiding waarmee contacten bestaan. Dit kan niet overal en die VERSshows moeten niet altijd hetzelfde zijn, behalve de beste, op scholen gemaakte gedichten.
Maar ik hou ervan om van poëzie gedichten te maken, en deze leerlingen gooiden zich er helemaal in. Hopelijk kan het ook binnen VERS vaker, om het stap voor stap te verkennen en te ontwikkelen.
Op het Haarlemcollege heb ik het de laatste jaren ook gedaan, met het werk van Paul van Ostaijen, en elders ook in workshopvorm, vaak zonder presentaties of voorstellingen. Dan staat het spelen met gedichten centraal, ze binnenstebuiten keren voor zover mogelijk in korte tijd, het aan- en uitkleden, het betekenissen zoeken, en het plezier dat gedichten kunnen geven. Het blootleggen dat ze bronnen van onverwachte wendingen kunnen zijn. Allesbehalve statisch.
Aan het eind van de maand ook weer in Barendrecht.

Dwaalsporen als klassieker

Tags

,

Ik blader op deze ontspannen dag de Volkskrant door en stuit opeens op een kleine afbeelding van de omslag van Dwaalsporen, mijn eerste boek.
Direct weet ik dat het om iets positiefs gaat, anders dan wanneer je vlak na het uitkomen van een boek een recensie tegenkomt. Op zich altijd opwindend, en ja, misschien wel liever een slechte recensie dan geen recensie maar toch, een naar stuk hakt er altijd in. In heftige zin meestal niet zo lang, maar als je eraan terug denkt kun je er weer even akelig van worden. Wat er ook tegenover staat. Dat moet je dan weer even tot je door laten dringen, en ja, tegenstrijdige kritieken kunnen verwijzen naar een kracht in het werk. Ook dat moet je dan weer even bedenken.
Aandacht voor een boek dat al langer bestaat, is gunstig. Of op zijn minst gunstig uit te leggen.

Bij het uitkomen van Dwaalsporen zei een vriendin van me: ‘Dit boek heeft het in zich om een klassieker te worden.’ Iemand die dat expliciet en vol overtuiging zei.
Daar moest ik weer aan denken. Voor het eerst las ik in een grote kwaliteitskrant (mijn krant) dat een boek van mij gekoppeld werd aan het woord klassieker. Vlak voor het einde van het jaar, mooi besluit.
Op de laatste of voorlaatste dag van het jaar kiest de Volkskrant altijd van een aantal kunstdisciplines de drie grootste beloftes. De nummer één wordt dan paginagroot geportretteerd aan de hand van een stuk of zes voor hem of haar veelbetekenende of bepalende, invloedrijke werken. Die worden allemaal apart behandeld, in los van elkaar staande kaders, met zoals gezegd een afbeelding van de omslag erbij.
Voor literatuur is dit jaar Roos van Rijswijk de grote belofte. Zij schetst zichzelf onder andere via Simon Carmiggelt, eeuwenoude Arabische sprookjes, Gerbrand Bakker, de bloemlezing Domweg gelukkig in de Dapperstraat en Dwaalsporen.
In de aanhef staat dat zij Carmiggelt en wat onverwachte klassiekers naar boven haalt. Ze mogen van mij Dwaalsporen een onverwachte klassieker noemen. Je moet ergens beginnen.
Ik beweer altijd dat ik liever een blijver heb met een bescheiden verkoop dan een kortstondige hype. Liever word ik door de tijd heen gesignaleerd door mensen die zelf stappen zetten en wat te zeggen hebben dan dat ik een bestseller te pakken heb die aanslaat vanwege een modieus gegeven en daarna voorgoed wegzinkt.
Kort in een mode passen of iets maken dat het lekker doet in een zekere periode is niet waar ik op uit ben.

Een boek als Dwaalsporen mag best af en toe zacht op de achtergrond pruttelen maar moet soms weer opflakkeren en nooit helemaal wegzinken. Dáár ben ik op uit.
Ik zie Dwaalsporen als een volwaardige roman met een speciaal oog gericht op jonge mensen, zoals al mijn boeken, dat is ook het serieus nemen van jongeren. De eerste roman voor iedereen vanaf dertien, veertien jaar over een jongen die zich een meisje voelt in een jongenslichaam. Wat Roos van Rijswijk onder andere heeft gesignaleerd: dat ik niet in de tijd wilde blijven hangen waarin het boek geschreven is.
Ook iets wat ik telkens nastreef in mijn boeken. Altijd bezig op het kruispunt van tijdloosheid en tegenwoordigheid.