Recensies over En toen kwam Timothy.

Tags

, , , ,

In het geval van Jordi legde ik een aantal maanden na het uitkomen van het boek een document aan met zes recensies die de reacties aardig weerspiegelden. Waar het paste of zinnig was haalde ik het aan, citeerde ik eruit of liet ik het zien.
Ik vind zo’n document een prettige basis, het geeft wat rust, en alles mij daarna onder ogen komt en ook de moeite waard is, sla ik meestal wel hier of daar op.
Bij elk boek heb ik wel iets vergelijkbaars gedaan. Als die basis er eenmaal is, zie ik wel wat er verder nog gebeurt. Alles achterhalen zal ik wel niet, denk ik. Als ik zie wat er af en toe ineens opduikt. Al doorklikkend moet je er maar net bijkomen. De algoritmes van de zoekmachines kan ik niet altijd volgen en veranderen ook regelmatig. Iets wat de ene na de andere keer verschijnt, kan op een dag zomaar verdrongen of verdwenen zijn.
Vaak komen er lezersreacties ineens bovendrijven. Zoals pas weer over Neil en ik, kort en krachtig, persoonlijk en in mijn ogen heel raak. Wat er zo in de loop van de tijd nakomt, is vaak gunstig en heel aangenaam van toon.
Voor En toen kwam Timothy had ik nog niet zo’n document aangelegd. Tot 7 juli. Mijn hoofd moet helemaal vrij zijn en meestal heb ik een aanleiding nodig om actief op zoek te gaan naar reacties en recensies. Ik weet alleen zeker dat ik het vroeg of laat wel doe. Totaal negeren daarvan is er bij mij niet bij. Ze kunnen ook invloed hebben op de acties die ik onderneem of op de manier waarop ik over het boek praat of wat ik erover vertel. Zonder boos te worden liefst. Gelukkig kan ook een negatief oordeel verheldering geven, of ik het er nu mee eens ben of niet.
Vanwege de coronacrisis had ik verwacht er eerder aan toe te zijn gekomen. Geen lessen, geen workshops, zij vormen toch de voornaamste obstakels.
In het najaar was de bibliotheekrecensie heel snel gekomen, die gaf al de nodige rust en zekerheid van verkoop aan biblio- en mediatheken. Vanaf dat moment was het wachten op het geschikte moment om zelf op onderzoek uit te gaan. Meestal heb ik een of twee dagen nodig om alles wat ik heb gezien en gelezen op een rijtje te zetten en te weten wat ik ermee aan moet. Wat niet wil zeggen dat ik uitgedacht ben, wel dat ik goed verder kan.
Het is niet iets om tussendoor te doen, dat is ook nu weer bewezen. Natuurlijk hangt het ervan af hoe positief of negatief het totaal uitpakt, of van duidelijkheid of onduidelijkheid voor mij. Maar zelfs als alles heel gunstig klinkt, als ik me aan alle kanten begrepen voel, erkend, herkend, heb ik tijd nodig om dat op een rijtje te zetten, de mogelijkheden ervan te doorzien, mijn eigen reacties te doorgronden. Over het algemeen slaap ik best goed, maar opwinding over iets waar ik heel blij mee ben kan me evengoed wakker houden als slecht nieuws. In dat laatste geval valt slapeloosheid vaak mee, tot mijn verrassing. Onaangename berichten kunnen me blijkbaar zo vermoeien, dat ik ervan in slaap val. In ieder geval gebeurt dat.
Natuurlijk, de recensies die me toegestuurd worden lees ik, zoals begin juni de recensie van Ineke van Nispen waarover ik al schreef. Het gaat om die eigen actie, die eigen zoektocht, waarbij je niet weet waaraan je je blootstelt. Wat je onder ogen krijgt.
Als het eenmaal goed, intensief, gebeurd is, een redelijke tijd na het verschijnen van het boek zodat je het een en ander kunt verwachten, en er een document ligt, maakt het allemaal niet meer zo veel uit. Nu kan ik best af en toe eens even surfen, al blijft ruimte in mijn hoofd en in tijd wel aan te raden.
Via sociale media had ik gezien dat er op 6 juli een recensie bij de Leesfabriek van En toen kwam Timothy zou verschijnen. Die zou ik zeker niet genegeerd hebben, maar deze dag kwam goed uit. Tussendoor keek ik al, uiteindelijk zag ik hem pas in de loop van de avond.
Tekst, na een korte inleiding over het boek: ‘Ondanks andere verwachtingen heeft Brooijmans een prima verhaal geschreven voor young adults over vriendschappen, (on)rechtvaardigheid, je seksuele geaardheid en het nemen van beslissingen.’
Uitstekend, dat klonk goed in mijn oren. Voor de hele recensie moest ik dieper graven en een systeem aanspreken dat ik niet kende en waar ik me even in moest verdiepen. Maar dit kon niet misgaan, dacht ik.
Alleen, wat werd er bedoeld met ‘ondanks andere verwachtingen’? Had de recensente verwachtingen van mij op grond van eerder werk? Had ze van tevoren iets gelezen of gehoord over dit boek? Of had de flaptekst haar op het verkeerde been gezet? Ik hield het op het laatste, al kon ik me daar bijna even weinig bij voorstellen als bij die andere mogelijkheden.
Op dinsdag kreeg ik de hele recensie onder ogen. Mijn veronderstelling klopte toch, de titel en ook de flaptekst hadden bij haar een beeld opgeroepen dat niet helemaal was uitgekomen. Ze had een grotere rol van Timothy in het leven van Jordi verwacht. En ze vond dat de muziek wel erg snel uit het leven van Jordi was verdwenen. Dat had ze graag wat geleidelijker gehad.
Meer in het algemeen meende ze dat in het boek veel goede onderwerpen worden aangesneden maar dat die te summier worden behandeld. Van Jordi kreeg ze wel een goed beeld via zijn gedachten en gevoelens maar ze vond hem soms wat te volwassen. Al gaf ze onmiddellijk toe dat zij het denken van een veertienjarige niet precies kon inschatten. De ‘prettige schrijfstijl’ zorgde ervoor dat ze vanzelf door bleef lezen.
Alles bij elkaar was ik op mijn beurt door het gunstige slotoordeel op het verkeerde been gezet. Al die kanttekeningen verbaasden me, ik kon ze daar niet helemaal mee  rijmen.
Hierdoor ontkwam ik er niet meer aan om me nu eindelijk eens goed in de recensies en de stand van zaken te verdiepen.
*
Opnieuw heb ik een document gemaakt met zes recensies en kort samengevat komen de oordelen hierop neer: 3 recensies heel positief, zonder negatieve punten, een daarvan echt laaiend enthousiast, twee recensies komen met een gunstig eindoordeel maar hebben wel aanmerkingen, en een recensie vind ik ronduit negatief, al stipt die recensent wel een laag in het verhaal aan die haar bevalt en is ze benieuwd naar een eventueel vervolg.
Deze laatste recensente heeft vaker kritieken over mijn boeken geschreven: over Neil en ik was ze heel lovend, over Het jaar van de veranderingen was ze minder te spreken en over Jordi juist weer heel positief.
Als een boek niet helemaal goed valt bij haar, wordt ze wel zuur en venijnig, moet ik zeggen. In Het Jaar van de veranderingen wordt hoofdpersonage Astrid keer op keer lastig gevallen door haar stiefvader, steeds een schepje erbovenop, en dat begon haar te irriteren. Eigenlijk de goeie reactie, maar zij wentelde dat af op het boek. Zelf had ik bij het schrijven gelet op die opbouw, ik was me daar volledig bewust van geweest.
Nu ergerde ze zich aan Jordi, iemand die het te goed wil doen, te aardig, te lief, te volwassen. Ze kreeg er ‘jeuk’ van.
Bij de meer kritische recensies draait het om twee elementen: Jordi zelf, en de snelheid waarmee veel onderwerpen passeren.
De recensie van Chicklit is de tweede met een positief eindoordeel maar wel met kritische opmerkingen: ‘ En toen kwam Timothy van Jacques Brooijmans is zeker een leuk coming-of-ageverhaal. Het is jammer dat het verhaal af en toe iets te snel gaat, waardoor sommige verhaallijnen niet altijd even goed worden uitgewerkt. Het hoofdpersonage Jordi is wel een uitstekend neergezet karakter. Ook de fijne schrijfstijl van Jacques Brooijmans kan als een pluspunt worden genoemd.’
Met andere woorden: deze recensente spreekt de wijze waarop Jordi getekend wordt juist heel erg aan. Elders schrijft ze: ‘(…)
een positief punt aan dit boek is, is de uitwerking van het personage Jordi. Zijn gedachten worden namelijk uitgebreid op papier gezet. Hij stelt zichzelf af en toe hele diepzinnige of filosofische vragen over wat de wereld van hem verwacht en wat hij moet doen. De auteur heeft hem hierdoor erg realistisch neergezet. Als lezer kan je daardoor ook goed met hem meeleven.’ Verder schrijft ze: ‘De schrijfstijl van de auteur is een ander positief punt van dit boek.’ Ze heeft het over ‘prachtige zinnen’ die ‘soms literair aandoen’. Dat komt mede ook door de ‘diepzinnige vragen’ die Jordi zich stelt.’ En: ‘De vlotte schrijfstijl van de auteur in combinatie met de korte hoofdstukken, die bijna altijd tussen de drie en vijf bladzijdes hebben, zorgen ervoor dat je door het boek heen vliegt.’
Het enige probleem dat zij heeft is eigenlijk de snelle behandeling van sommige verhaallijnen. Ze noemt twee voorbeelden: de dagen in Londen, en de vakantie in Tsjechie. Dan denk ik: goed, in mijn ogen heb ik daar net zoals elders precies behandeld wat ik wilde en moest behandelen, wat nodig was voor het verhaal en de diepte erin, het ervaren, voelen en denken. (Het verblijf in Londen duurt vier dagen, in het boek zeventien bladzijden).
Bij deze recensent overheerst het positieve in sterke mate, vind ik. Leerzaam toch om te zien dat wat de een erg waardeert bij de ander juist verkeerd valt. ‘Realistisch’ bij de een is ‘te volwassen’ bij de ander. Een derde laat in een fijne, directe recensie zonder omhaal en uitweiding het woord ‘sympathiek’ vallen. Verwachtingen spelen een grote rol, Jordi is niet doorsnee maar jongeren zoals hij bestaan, in een of andere gedaante. Mensen zien vaak alleen de grote, algemene beelden, ze hebben geen weet van de krachtige, filosofische gedichten die dertienjarigen soms schrijven. En wie dat meemaakt vindt het geweldig maar normaal, die ziet het tenslotte voor zijn ogen gebeuren.
Zelf heb ik ook veel van Jordi, dat besef ik nu beter. Ook als de puber die ik was. Anderen niet willen kwetsen, overwegen wat je verdraagt, wat je laat passeren. Ik zelf ben wel feller, maar die felheid is ook maar een kant. Jordi is rustiger, en krijgt van alles op zijn dak. Ook aardige mensen krijgen van alles te verduren en het contrast wordt er alleen maar schrijnender door. Niet bij iedereen hoeft het ‘slechte’ altijd aan de oppervlakte te komen. En ‘menselijk’ is hij genoeg, niet alleen in zijn seksuele verkenning, waar de grootste criticus wel waardering voor heeft, neem alleen al zijn angstaanvallen.
Misschien moet je En toen kwam Timothy vaker lezen, dat is vaker van mijn boeken gezegd. Timothy speelt een grote rol, op meerder vlakken, en dat de muziek wegvalt wordt in mijn ogen aannemelijk door verschillende fragmenten. En inderdaad, heel geleidelijk gaat het niet. Dat gebeurt wel vaker, niet alles verloopt volgens eenzelfde stramien en in eenzelfde op- of afbouw.
Ik heb er allemaal over nagedacht, ik heb het allemaal weloverwogen gedaan. Ook wat ik heb weggelaten. De logica speelt altijd een rol, al wint ze nou ook weer niet elk gevecht.
Door deze recensies ben ik meer gaan begrijpen, al hoef ik van mezelf niets aan dit boek te veranderen. Dit is wat ik wilde schrijven.
Boeiend genoeg, over het document met de zes recensies heb ik voor mezelf een artikel van bijna vier duizend woorden geschreven. De combinatie van deze recensies legt van alles bloot, er valt van alles te vergelijken.
Met het document over Jordi had ik het makkelijker. Die kritieken waren allemaal positief, was altijd mijn idee. En dat zijn ze ook, maar bij herlezing merkte ik dat er in twee toch ook kleine kanttekeningen staan. Kleiner dan deze, vrij onbetekenend, vooral vergeleken met die ene, negatief getoonzette recensie deze keer (zij was toen ook wel een van die twee). Maar het verschil is toch minder groot dan ik dacht.
Deze week stuurde een lezer me een korte reactie na  het boek gelezen te hebben: heel mooi, heel heftig, heel lief.
Die combinatie van heftig en lief trof me. Weer dat woord lief. Het is toch iets. In dit geval weer positief gewaardeerd.
Opnieuw geestig dat iemand die genoten heeft van dat boek en dat wil laten weten juist dit woord gebruikt, wat eerder niet gevallen is. Alleen in die ene negatieve recensie van eerder deze maand. Alsof het woord ineens in de lucht hangt, en voor heel uiteenlopende mensen te gebruiken.
En hoe sloot die heel enthousiaste recensie af?
‘En toen kwam Timothy is een bijzonder goed geschreven boek dat de wereld van jongeren breder voorstelt dan een plaats waar alleen maar ruimte is voor smartphones en playgames. Gelukkig zijn er ook nog jongeren die ernstig over het leven nadenken, die een lange neus maken tegen Pesters, en die vriendschap en liefde nog dingen vinden waar je op een menselijke manier mee omgaat!’

 

 

 

Oppakken van de draad

Tags

,

Over een week geef ik een eerste workshop aan kinderen van nieuwkomers in Haarlem. Precies 4 maanden en twee dagen na de abrupte stop in Evergem, Belgie, vanwege corona.
Lang heb ik gedacht dat ik op zijn vroegst ergens in september weer lessen zou gaan geven. Dat valt in die zin mee, het heeft toch iets van de draad weer oppakken. Oke, oke, rustig, ik weet heus wel dat het virus niet is verdwenen.
En ik weet ook dat de maatregelen weer verscherpt kunnen worden als het aantal besmettingen en ziekenhuisopnames weer gaat toenemen.
Wat ik in september zal kunnen doen, blijft voorlopig nog even ongewis als het al lange tijd is.
Alles bij elkaar genomen heb ik de afgelopen tijd niets te klagen gehad, met mijn coronaklussen en -bezigheden. Filmpjes maken, essaybundel met werk van scholieren, schrijven, aandacht voor mijn boeken, berichtjes verzenden.
De essaybundel wordt nu verspreid en ziet er glanzend uit. Letterlijk, een cahier wordt het genoemd, op dik, glad  papier, fraai vormgegeven, kleurig maar smaakvol.
Ik ben er blij mee vanwege de diversiteit van de essays. Met de manier waarop telkens twee gedichten een persoonlijk getinte verhandeling kleuren en versterken.
Iemand noemde ze al ontroerend, en dat geldt zeker voor de essays over de vader in het ziekenhuis en over de vader die zelfmoord pleegde. Maak ook voor de jongen die heel open over zijn eenzaamheid schrijft, en voor de jongen die benoemt hoe moeilijk hij het vindt om blijvende en waardevolle contacten te leggen. Een ander is heel eerlijk over zijn psychische problemen. Ja, jongens, toch een teken dat steeds meer jongens kwetsbaar durven zijn. Als het even kan wil ik ook een sfeer scheppen waarin dat voor niemand een barriere is.
Liefdevol vind ik het essay van het meisje die de plaats van brood in haar Turkse cultuur beschrijft. Niet alleen liefdevol over het brood maar ook over haar vader die een bakkerij heeft. De een is filosofisch, de ander gepassioneerd, de derde verwerkt een heel persoonlijke gebeurtenis. Door de essays waarin de coronacrisis ter sprake komt, soms heel indringend, is de bundel ook een tijdsbeeld.
Hier en daar kun je de geest van een puber bespeuren maar dat betekent al gauw een ontwapenende verwoording en eerlijk is eerlijk: het gaat dan vrijwel altijd om kwesties en vragen die een leven lang meegaan.
Wie deze bundel leest, krijgt wel een beeld van de jongeren van nu.
In mijn inleiding behandel ik hoe we tot deze resultaten komen. Door de nadruk op het persoonlijke, op samenhang, op de pakkende opening, het betekenisvolle detail. Door  het afzweren van afstandelijkheid en schoolse opdrachtjes. Door een betrokken benadering van de gedichten te stimuleren.

Balans opmaken. Tussenbalans?

Een aantal klussen waar ik de afgelopen tijd mee bezig ben geweest, zijn min of meer afgerond.
Mijn bezigheden in de coronatijd kan ik ze noemen. Dit veronderstelt dat deze periode nu afgerond is maar dat is wat al te optimistisch. Feitelijk klopt het ook niet, maar we zitten nu toch in een nieuwe fase met versoepelingen van maatregelen. Dat is al een paar weken aan de gang, dat zet nu door. Het aantal besmettingen, ziekenhuis- en ic-opnames, en niet te vergeten natuurlijk het aantal doden per dag zakt verder en verder. Het lijkt erop dat we het virus onder controle krijgen, maar zeggen ze dan, ‘het is nog onder ons.’ En op wereldschaal nemen de aantallen wel nog steeds toe.
Het neemt niet weg dat de samenleving weer wat ontspannener is geworden. Hoe we  ook tegen allerlei veranderingen aankijken, dat is toch op zijn minst iets nastrevenswaardig. We zitten weer op terrassen, scholen zijn weer geopend, het regime op markten en in supermarkten is iets losser geworden, al blijft gelden: afstand van elkaar houden, handen wassen, ook bij licht hoest- en proestverschijnselen thuisblijven. En geen grote evenementen. Van de mondkapjes in het openbaar vervoer zijn we voorlopig niet af. In steeds meer landen zijn ze ook in winkels en vergelijkbare plekken verplicht. Mensen die hier komen vanuit andere landen, kijken verbaasd op, zij zijn veel meer mondkapjes op straat gewend. Door hen wordt Nederland dan toch weer als heel soepel ervaren, volgens sommigen vast te soepel.
Hier is het er aanvankelijk in geramd dat ze weinig of geen zin hebben, dat ze zelfs contraproductief werken (ze zouden een schijnzekerheid bieden), met als gevolg dat relatief veel mensen zich er zuchtend en steunend bij neerleggen. Daar hoor ik wel een beetje bij, en ik vraag me ook af hoe nodig het is dat je ze telkens maar een keer draagt, voor je ze wast of weggooit. Oke, een ongewassen exemplaar aanraken kan handen besmetten, je moet ze dus slim om doen, met de elastiekjes om je oren, maar dat moet je toch al zodra je het kapje op je gezicht hebt of hebt gehad.
Goed, er zijn kwesties waar je over kunt blijven denken, ze vallen voor mij onder zelf kritisch blijven denken. Zonder nou direct de hele aanpak onderuit te halen, zoals sommige actiegroepen, die hier en daar soms wel een punt lijken te hebben. Zo blijkt nu het besmettingsgevaar buiten gering te zijn.
Het blijft allemaal heel lastig en raar door alle onzekerheden die dit virus omgeven. Onderzoekers doen hun best maar hoe snel ze ook zijn en hoezeer ze hun toevlucht ook nemen tot -verantwoorde?- versnelde procedures, we zullen geduld moeten hebben. Zelf heb ik naast een kritische kijk op sommige kanten van de maatregelen puur op grond van mijn eigen overwegingen juist aanvullende gedragingen. Als ik op straat en zeker in een winkel, supermarkt, een vertrek of gebouw iemand passeer, zal ik zo veel mogelijk mijn mond dichthouden. En elk geblaas en gesproei en ander vochtafscheidend gedrag vermijden. Dat kan allemaal heel makkelijk en subtiel en het is iets wat veel uit kan maken, voor zover ik het kan zien.
*
Een nieuwe fase, de scherpe kantjes eraf, half juli ga ik weer beginnen met workshops, drie weken werken met kinderen van nieuwkomers. Midden in de vakantie, voorlopig blijft alles anders. Daar kijk ik wel naar uit.
Vooral die eerste twee maanden blijven iets aparts, de verbazing, de verwarring en onzekerheid, al die bezigheden die stopten, nieuwe ritmes vinden, activiteiten oppakken die wel konden doorgaan of die konden vervangen wat was weggevallen. Op afstand communiceren, videobellen, onlineafspraken.
Mensen zijn flexibel, weerbaar, de meesten proberen er altijd wat van te maken. Hoeveel er ook stil viel, het theater, de film en het cafe, hoezeer mensen zich ook noodgedwongen opsloten in hun huizen, alles bij elkaar draaide dit land redelijk door. De paniek brak niet uit, velen zagen ook voordelen, even pas op de plaats.
Als ik er zelf op terugkijk, kan ik ook zeggen dat de tijd ondanks alles is omgevlogen.  Ik vond het niet fijn, ik miste veel, en tegelijk kreeg ik ook wel wat terug, zoals de eerder genoemde tijd om te lezen en te schrijven in een eigen ritme. Zo’n ritme waar ik soms zelf voor kies als ik me concentreer op het schrijven van een boek, vooral in  de eindfase. Hoe meer het erop aankomt, hoe meer ik dan de contacten met anderen op een laag pitje zet. Soms wel lastig, maar dat probeer ik dan zelf.
Met andere woorden, in mijn leven zit al wel een afwisseling van veel sociale interactie en geconcentreerd aan de slag, op mezelf. Midden in Amsterdam blijf ik altijd verbonden met de wereld en mijn omgeving, zo ervaar ik dat in ieder geval. Alleen besteed ik er niet al te veel tijd aan, het is haast meer iets radioactiefs, iets vanzelfsprekends in de lucht, in een vluchtigheid die op zich niet oppervlakkig is.
Zoals mijn leven is geworden is er altijd wel verbondenheid, het verschil tussen alleen en niet alleen is betrekkelijk. In situaties zitten uitersten maar gevoelsmatig maken die niet zoveel uit.
Verbondenheid kan voor mij in kleinigheden zitten. Zoals de afgelopen tijd: iemand op de radio, die  ik -persoonlijk- ken; een artikel in de Volkskrant over het afstand houden, met een foto van het Sarphatipark, genomen op dezelfde dag dat ik er fotografeerde. Of een reportage over het Schimmelpenninck Huys, bekend hotel in het centrum van Groningen, dat in de eerste maanden van de coronatijd daklozen onderdak gaf, zoals meer hotels. Een plek die ik heel goed ken, ik logeerde er altijd als ik in Groningen meer dagen achter elkaar werkte.
Natuurlijk, het bijzondere en gedwongen karakter van deze periode, de regimes buiten, het afstand houden, de gesloten scholen, de onmogelijkheid van sommige (fysieke) contacten blijft ongekend, maar sommige manieren van doen en denken, die ik mezelf al had toegeeigend, hebben nu een nieuwe lading gekregen, of een impuls.
Zo vonden sommige mensen het moeilijk om hun lichamelijke conditie op peil te houden, nu ze niet naar de sportschool konden (of hier in de buurt tijdelijk de met hekken afgezette trainingstoestellen in het Sarphatipark niet meer konden gebruiken).
Zelf heb ik me allang een trainingsprogramma aangewend waarbij ik niet afhankelijk ben van welke plek dan ook, thuis of op een hotelkamer kan er ook heel veel. Bij meer tijd doe ik meer, bij minder tijd voer ik een kortere sessie uit (meerdere over de dag verspreid kan ook) maar vrijwel altijd doe ik wel iets.
Meestal loop ik veel, al doende, organisch opgenomen in het leven, dat deed ik minder maar dat heb ik wel gecompenseerd en het trekt alweer aan.
Eten en drinken hangt voor mij ook niet samen met wat ik wel of niet doe, waar ik wel of niet ben. Lekker en gezond eten kan heel goed samengaan, altijd en overal. Daar ben ik ook allang mee bezig en dat heeft zich nu voortgezet, met hier en daar een nieuw accent. Dat is door niets te stuiten.
Iets anders, reizen. Dat heb ik altijd met groot plezier gedaan, ik heb ik verre reizen gemaakt, ben een paar keer voor langere tijd weggeweest. En nog steeds ben ik graag weg, ik geniet altijd in de trein, voel me altijd goed ergens anders maar ik hoef niet per se ver weg te gaan. Sinds ik de kans heb gekregen in andere landen en andere steden te werken, is dat belangrijker geworden dan ver weg gaan op zich.
Ik wil me ergens anders thuis voelen, zoals nu in Madrid, in Gent, in Antwerpen. Je kunt niet alles hebben, ik hoef ook niet alles. ik zoek iets eigens, iets wat bij mij hoort, iets wat mij werkelijk voedt.
Door de coronacrisis kunnen verre reizen wel eens onder druk komen te staan.
Ik ben benieuwd hoe dat verder zal lopen.
Allang vind ik de reizen naar Berlijn per trein het toppunt van ontspanning. Het zou sneller kunnen maar dat maakt me niet eens zo veel uit.
Hopelijk wordt een reis per trein naar Madrid in de naaste toekomst met hoge snelheidslijnen haalbaar en betaalbaar.
Als deze crisis dat soort ontwikkelingen een zetje kan geven, wordt in ieder geval weer bewezen dat overal iets positiefs uit valt te halen, met dank aan de menselijke overlevingsdrift.

Nog genoeg te doen

Tags

, ,

Haar recensie van Jordi begon Ineke van Nispen zo: Wat een prachtig boek.
Het is de kritiek waarbij ik het snelst wist dat ik me geen zorgen hoefde te maken over het uiteindelijke oordeel.
Heel wat anders dan alle stukjes waaraan ik begon en waarbij ik mezelf moest manen rustig te blijven, niet te jachtig te lezen om er maar zo gauw mogelijk achter te komen wat de criticus er nou precies van vond.
Heerlijk, zo’n recensie. Hoe zeer moet iemand het menen om zo met de deur in huis te vallen? (Als die uitdrukking ooit op zijn plaats was, is het hier. Lees de recensies van het afgelopen weekend er maar op na. Als steekproef.)
Begin juni kreeg ik haar recensie van En toen kwam Timothy onder ogen, die was toen net uit. Ook te vinden op de site van Libris.
Nu moest ik weer wel wachten tot aan het eind. Opnieuw zo’n spetterende start zou iets te mooi voor de werkelijkheid zijn geweest.
Het slot van de recensie: ‘En dan komt Timothy is een mooi verhaal over de onzekerheden van een puber. De dingen waar de sympathieke Jordi tegen aanloopt zijn erg herkenbaar en dat geldt ook voor de schoolse roddels en achterklap. De korte hoofdstukken maken het verhaal voor jongeren prettig leesbaar. vanaf 14 jaar.’
Vier sterren. Ineke had de recensie aan de uitgeverij gestuurd samen met een kritiek van een boek van mijn collega Inez. Zij kreeg vijf sterren.
Ik doe het ermee, prima. Deze recensie doet me een beetje denken aan die van de bibliotheekdienst NBD/Biblion, ook met woorden als mooi. En herkenbaar als ik me goed herinner. En daarin worden ook de korte hoofdstukken genoemd, in positieve zin.
Inez heeft op sociale media al lang verwezen naar de recensie (daarin heeft ze het over ‘de Ineke van Nispen’, ze is wel een bekende naam).
Sinds een half jaar ben ik daarop ook wat actiever dan ik was, ik heb nu iets meer de routine te pakken om tussen andere bezigheden door af en toe een bericht te plaatsen. Weet iets beter wat ik daarop kwijt wil en hoe ik dat wil maar ik heb nog steeds de neiging om te veel te slijpen. Soms niet, dan is het makkelijk, bijvoorbeeld als de uitgeverij een bijzondere foto van En toen kwam Timothy verspreidt. Daar kan ik snel op inspringen. Maar meestal zoek ik naar de beste vorm of formulering en dan gaat het me weer te veel tijd kosten. Of het duurt te lang voor ik tot actie overga, dan blijft het borrelen. Ook te veel gedoe. In ieder geval zijn mijn speerpunten op deze platforms boeken, schrijven, kunst, cultuur, soms workshops, soms het reizen, een blik, iets wat me opvalt. De eerste weken van de coronatijd begon ik meer te fotograferen, de resultaten daarvan kon ik ook goed gebruiken.
Het idiote van de crisis was dat die direct open en bloot op straat te zien was, dat intrigeerde me. Lichtkranten bij de parken, hekken op de markt, noem maar op. Dat kon ik deels kwijt op die media, waarvan sommige aan elkaar geschakeld zijn, dat helpt ook.
De coronaweken, meer thuis zijn, meer eigen tijd indelen, hebben me wel geholpen om wat ik al begonnen was vol te houden. Al houdt het nog steeds niet over en blijven andere zaken telkens om voorrang vragen.
Dus, iets meer routine, iets meer gewoonte, iets beter zicht op wat ik wil en kan doen op dat gebied. Maar een bericht over die recensie van Ineke van Nispen plaatsen moet nog gebeuren.
Dat gaat wel lukken, ik heb een idee, zonder veel tekst.
Eerlijk is eerlijk, als ik geen boeken zou schrijven, zou ik me er ongetwijfeld minder mee bezighouden.
*
Wat zijn dan die dingen die zich in deze tijd zonder lessen en workshops naar voren hebben gedrongen?
De bundel met essays over gedichten van scholieren vooral, die het leed verzacht van de afgelaste finale Debat en Essay in Antwerpen. Het artikel dat ik er zelf voor heb geschreven, de redactie van de essays, overleg met de schrijvers als ik vragen heb, gegevens van gebruikte gedichten verzamelen, controle van namen, alles bij elkaar wel een klus.
Eerder ook een instructiefilmpje voor docenten over Film, Taal en Betekenis, de leerlijn rond kunst en cultuur die we op het Haarlemcollege nu moeten gaan opbouwen. Erg snel was ik niet tevreden, hier zat ik mezelf een beetje dwars. Verder heb ik ook filmpjes gemaakt met spoken word-achtige teksten die ik voor een onderdeel van dat programma heb geschreven, over slavernij. Ineens heel actueel vanwege de aandacht voor racisme in de samenleving, na de dood van een zwarte man in Amerika, die minutenlang geen adem kreeg door de beknelling, waarin een politieman hem hield.
Wereldwijd kwamen mensen in beweging. Het is toeval, ik had de teksten al in een eerste versie af, toen de acties en demonstraties op gang kwamen.
Ik heb er weinig aan veranderd, het schaven was grotendeels al gebeurd.
In dit geval vond  ik Spoken Word de beste vorm. Althans wat ik eronder versta en wat ik er mee kan doen: klank en ritme, herhaling in teksten die hangen tussen proza en poezie.
Zulke bezigheden gaan altijd voor, die moeten gereed en die vergen concentratie. En daar kunnen berichten op sociale media, ook al gaan ze over boeken, mijn en andere boeken, niet tegenop.
In juli ga ik trouwens weer workshops geven. Uitgerekend in juli, en in augustus. Een zomerschool activiteit voor kinderen van nieuwkomers. Daar verheug ik me op.
Waarschijnlijk ga ik dit jaar niet naar Madrid, ik kijk het nog even aan.
In de krant en op andere kanalen lees ik met grote regelmaat over de steden die me vertrouwd zijn, Antwerpen, Gent, Madrid, Berlijn, en in die artikelen vallen vaak de namen en staan foto’s van plekken die ik heel goed ken. Zeker Madrid is zwaar getroffen door de crisis, Spanje in zijn geheel en ik vraag me af wanneer ik er weer heen kan zonder vragen en twijfels over de afloop van de reis. Als er weer een uitbraak komt, kun je zomaar verzeild raken in verplichte quarantaines, daar of hier bij terugkomst.

Omstandigheden die ervaringen kleuren

Tags

, ,

Uitgestelde afspraken gaan uiteindelijk wel door.
In maart zou ik eten met twee vrouwen die ik goed ken. Zij hadden ook een heel sterke band met de overleden vriendin met wie ik zo veel deelde.
We zouden praten over de eerste twee maanden na haar dood, over onze gedachten en ervaringen, herinneringen die overheersten, over hoe het ons was vergaan.
Het kwam er niet van, zoals zo veel niet doorging rond half maart en daarna. Misschien had het wel gekund, drie mensen bij elkaar met afstand houden en handen wassen. Maar er was twijfel, wisten wij veel, we wisten zo veel niet, massaal namen we het zekere voor het onzekere bij randgevallen of bij enige onduidelijkheid. We vermeden elk risico, volgden de adviezen van de deskundigen.
Begin juni belde een van hen me op. Ze wilden graag dat wij bij elkaar zouden komen op 12 juni, de verjaardag van onze vriendin. In Haarlem, huis met tuin, het zou warm weer worden, we konden buiten zitten en eten. Op een steenworp afstand van de plek waar onze vriendin woonde.
Zo ging het, en dat ging natuurlijk goed, op de dag zelf werd regen aangekondigd, onweer misschien, maar die arriveerde pas laat in de avond, op de terugweg.
Diezelfde dag strooiden man en dochters van onze vriendin haar as uit, op een welgekozen water.
Een mooi moment voor ons om bij elkaar te komen, het klopte. Alleen al door bij elkaar te zijn was onze vriendin aanwezig, we spraken over zoveel en als het uitkwam dook zij op.
Alledrie dachten wij regelmatig: hoe zou zij deze coronatijd ervaren hebben, hoe zou zij erover gesproken hebben? Ik vroeg me af: zouden wij elkaar veel minder hebben gezien? Zouden wij elkaar ook drie maanden niet hebben opgezocht of zou het anders zijn gegaan?
Nou, drie maanden zouden we niet gehaald hebben, denk ik. Misschien de eerste zes weken niet en daarna zouden we een vorm hebben gezocht en gevonden.
Eens in de drie weken hadden wij een vaste afspraak, om en om bij haar en mij. Meestal op woensdag en als dat niet uitkwam een andere dag in die betreffende week. Zo weinig mogelijk stelden we uit of schoven we door.  Door mijn reizen in de eerste maanden van het jaar gebeurde het dan wel, maar we wisten daar altijd aardig omheen te plannen. We spraken vaak genoeg af om ervoor te zorgen dat ik er voor haar kinderen bij hoorde. Ik zag ze opgroeien.
Tot op het laatst hebben we aan onze frequentie vastgehouden.
Natuurlijk zou de coronacrisis ons ritme wel hebben verstoord, zeker in haar situatie van het laatste jaar. Misschien toch wel sterker dan ik denk. Stel dat ze het nog wat langer had volgehouden, dan zou ze er ongetwijfeld slecht voorgestaan hebben en zou zij al helemaal heel voorzichtig zijn geweest.
Er zijn zoveel onderwerpen waarvan ik weet dat we er uitgebreid over gesproken zouden hebben. Het debat over racisme nu, altijd namen we de actualiteit door en al helemaal als het ging om iets verstrekkends dat de samenleving en de cultuur raakte.
Nadat ik met een van de twee anderen was overgebleven vroeg zij aan mij of ik erg met onze vriendin bezig was geweest de afgelopen tijd.
Ja, ik vroeg me af of er een dag was geweest waarop ik niet aan haar had gedacht. Moeilijk om na te gaan, hoe werkt dat, maar als er zulke dagen zijn geweest, zullen het er weinig zijn, dat weet ik wel. Heel terloops dook ze altijd weer in mijn hoofd op, ’s ochtends, ’s middags of ’s avonds, alles kon een aanleiding zijn, dat gebeurde in ieder geval veel.
Ik dacht veel aan haar maar werd wel sterk afgeleid, doordat de eerste maanden van het jaar weer heel opslokkend waren. Het reizen, het regelmatig leven uit rugzak en tas, de workshops, de lessen, repetities, voorrondes, revues, bijeenkomsten, noem maar op. En deze keer ook mijn moeder, die  in het ziekenhuis en tijdelijk in een woonzorgcentrum terecht kwam. Genoeg om altijd bezig te zijn, en de ontspannen momenten, onderweg soms, in een bus of trein, een paar uur, een hele of halve avond  voor mezelf had ik nodig voor de rust, voor de grip op mijn leven, voor het plezier in wat ik moest en wilde doen.
Maar het verlies van haar echt doorvoelen en doorleven, echt merken wat het betekent dat zij er niet meer is, daar kwam ik nog niet aan toe.
Ook de coronatijd hielp daar niet bij, daar was het te nieuw voor, te gek, te anders. Op allerlei vlakken moesten we onze weg zien te vinden, thuis zijn, de omgang met anderen, werk dat weg viel en werk en bezigheden die ervoor in de plaats kwamen.
Zij was er niet meer, maar met de anderen die er nog wel waren verliep de omgang ook anders, die viel fysiek grotendeels een tijdje weg, kwam terug via beeldschermen en daarna weer wel in het echt, in kleine gezelschappen. Op een school ben ik al drie en een halve maand niet geweest, in een vol en druk cafe ook niet.
Alles was anders, waardoor het verlies minder opviel in directe zin, om het zo te zeggen.
Toch zit ik onophoudelijk vol met beelden van haar, van het laatste jaar, van de laatste jaren en van lang en minder lang geleden.

Ik mis het wel

Tags

, , , ,

De uitzendingen van het VPRO-televisieprogramma ‘Honderd dagen voor de klas’ met Tim den Besten en Nicolaas Veul zijn afgelopen, schitterend programma. Eerlijk, zonder gene, als een participerend onderzoek naar wat lesgeven nou eigenlijk betekent. Meer dan drie maanden liepen ze mee op het Arcuscollege in Lelystad, gaven ze als stagaires les, zo werd inzichtelijk en voelbaar, van binnenuit, wat lesgeven op een middelbare school inhoudt en losmaakt. Ook bij de docent zelf. Wat het eist, vereist, waar je tegenaan loopt, wat je het beste kunt doen, het beste kunt reageren. Dat de ene les de andere niet is, dat het kan vastlopen, kan misgaan.
Dat het alle aandacht vergt, veel concentratie, nadenken, terugspoelen wat er nou precies is gebeurd, communicatie doorgronden, weten hoe je met je leerlingen kan en wil omgaan, bedenken wat jij wil bereiken.
Vervolgens moet je er ook weer niet te lang bij stilstaan en erover piekeren, het beste kun je je er aan overgeven en alles geven, alles wat je weet en wat je hebt overwogen moet iets vanzelfsprekends worden, iets onbewusts. Een klas is een ingewikkelde constructie, waarin heel veel gebeurt, maar elke les is vooral weer een kans om iets teweeg te brengen, iets voor elkaar te krijgen. Niet bang zijn, vertrouwen hebben, niet emotieloos blijven, laat maar zien wat jou bezielt, wat jou ontroert, wat jou zorgen baart, wat jou vrolijk maakt, wat jij belangrijk vindt, en ja, die enkele keer, wat jou boos maakt.
En ja, je moet niet ongeduldig zijn, maar het is wel menselijk dat je het af en toe bent.
Je hoeft ook weer geen heilige te zijn.
Tim en Nicolaas bezitten de gevoeligheid en gedrevenheid en de durf om al die kanten boven water te krijgen, dat hebben ze in eerdere programma’s ook al laten zien.
Door ‘honderd dagen voor de klas’ heb ik trouwens des te meer waardering gekregen voor een leraar van de school met wie ik daar ook samenwerk. Hij weet wat hij doet, wat hij wil bereiken en blijft menselijk. Weet precies wat een klas inhoudt, het lastige en het inspirerende, maakt altijd een reeele inschatting. Blijft kijken en luisteren, daar draait het om. En zal zich heus ook wel eens even voorbijlopen, in de haast en het veeleisende. Het Arcuscollege heeft niet per se de makkelijkste leerlingen.
Ik maakte opnames voor het programma mee in november, de dag dat we voor Poezie Van Binnen Naar Buiten het Wortmangemaal bezochten en daar rondgeleid werden.
Voor sociale media heeft de VPRO-redactie een filmpje gemaakt waarin beelden van die dag, het gemaal doorsneden zijn door shots van schrijvende leerlingen en waarin de hoofdmoot een gesprek tussen leraar en stagiaire Tim vormt.
Daarin vertelt de leraar dat hij heel blij is met een gedicht van een leerlinge, een meisje van wie hij de naam niet wil noemen, maar die best lastig is, met wie hij aanvaringen heeft, en nu ineens kon hij haar een compliment maken. Voor hem levert dat een goed moment op, er is een stap gezet. Tim hoort het aan met de hem kenmerkende jongensachtige ontvankelijkheid, zo van ‘o, kijk jij daar zo tegenaan, pak jij dat zo op,’ een beetje lacherig welwillend.
Zelf was ik er opgetogen over dat dit gedicht de leraar was opgevallen, dat hij het er had uitgepikt, en over de waarde die hij eraan toekende.
Ikzelf was ook aangenaam verrast geweest door dit gedicht, van dit meisje in die wat weerbarstige groep met leerlingen uit verschillende klassen. En waarvan me ook is bijgebleven dat na afloop een jongen en een meisje heel openlijk en losjes over hun persoonlijke omstandigheden vertelden, over hun omgang met hun ouders bijvoorbeeld, een vader die ergens andere woonde, en die misschien mee zou kunnen komen naar de poezierevue, heel ontwapenend in ieder geval.
Na het zien van het filmpje dacht ik: hier doe ik het voor.  Leraren die oppikken wat we doen, versterken het effect. Het gedicht:

Sluishuis

Sluishuis
met stenen trap
gesloten deuren
een vierkant gat
als doorgang in beton
steen en bal beneden
donkerblauw en zwart
een meeuw zoekt de vrijheid
vanaf de toren

Het gaat er niet om of dit het beste gedicht is dat ooit in een klas geschreven is. Dat meisje heeft wel een overwinning op zichzelf behaald, daar draait het hier om. Daar heeft de leraar het over. Ze heeft die dag op haar manier verwerkt, ze heeft er iets mee gedaan, en door de laatste twee regels heeft ze allerlei beelden en gedachten bij elkaar gebracht, zonder uitleg.
Grappig dat die dag door het filmpje maanden later een vervolg heeft gekregen. Nu is dit verhaal pas echt af, door deze toevallige samenloop. Nu weet ik hoe de leraar dit gedicht heeft opgepikt en wat hij ermee gedaan heeft.
Fijn om te weten, goed om te weten.
Laat ik bedenken dat ik heel veel niet weet.
*
Ja, ik mis de lessen, de klassen, de workshops, de bijeenkomsten, de manifestaties. Ook al kan ik me zonder al te veel moeite neerleggen bij deze omstandigheden.
Inmiddels is het bijna drie maanden geleden dat ik de laatste lessen heb gegeven, In Evergem, bij Gent.
Nog steeds een onvoorstelbaar idee.  Van de ene op de andere dag, klaar. Gewenning is iets vertekenends. Het blijft een situatie om af en toe bij stil te staan. We moeten niet normaal gaan vinden wat niet normaal is. Als iets absurds de werkelijkheid wordt, is het de vraag hoe we daar tegenaan kijken na een aantal maanden. Grote kans dat we de absurditeit veel minder absurd zijn gaan vinden. Tenslotte is ze ook werkelijkheid geworden.
Het is nog een stevige klus om een absurde werkelijkheid langdurig als absurd te blijven zien, dat botst met het wezen van wat de werkelijkheid is. Een extra verwarrende paradox.
De eerste tien weken van dit jaar verdeelde ik mijn tijd tussen Belgie en Nederland, na het uitbreken van de coronacrisis werden de grenzen tussen onze twee landen gesloten. De ene onvoorstelbaarheid riep de volgende op. Ik had niet gedacht dit ooit mee te zullen maken. Er borrelde zelfs iets van strijd en concurrentie tussen de buurlanden op: Belgie vond Nederland in het begin te laks in de aanpak, niet verantwoordelijk genoeg. Geen samenscholingsverbod bijvoorbeeld, te weinig handhaving van de anderhalve meter afstand. Daar moest ik aan denken als ik de sportjongens bij de trainingstoestellen in het Sarphatipark zag.
Al snel verschilden de maatregelen echt niet zo veel, hoogstens bleef Nederland wat accenten anders leggen in de praktische uitvoering, allemaal net iets ontspannener, net iets meer verantwoordelijkheid leggend bij de mensen zelf.
De Belgen bleven strenger in de controle van de grenzen, ze hielden ook meer vragen bij de aanpak van de Nederlanders dan andersom. Misschien wel logisch, wie een te losse benadering als gevaarlijk ziet, blijft alert. In de Volkskrant las ik een paar achtergrondartikelen van mensen die toch de grens overgingen, op grond van noodzakelijkheid, dat leverde een spannend spel op met autoriteiten, waarvan de afloop lang ongewis bleef.
Een nichtje van mij in Belgie liet weten: ik kan wel naar Nederland komen, maar hoe keer ik dan terug?
Ieder zal zo zijn symbolen hebben die voor dit uitzonderlijke eerste halfjaar van 2020 staan. Voor mij is die grens Nederland-Belgie een van de belangrijkste, ik  was net op tijd terug uit Gent voor de lockdown.
Al een decennium of meer werk ik vooral de eerste maanden van elk jaar veel in Belgie en zeker sinds 2015, 2016 wordt die tijd telkens getekend door iets wat de wereld doet schudden, ook ons deel van de wereld, door een onontkoombare beweging, door bepalende of veelbesproken gebeurtenissen. Het terrorisme, ik was in Antwerpen ten tijde van de aanslag in Brussel. Het jaar met de bewapende militaire duo’s op openbare plekken in Belgie. De vluchtelingenstromen vanuit Irak en Syrie, ik kwam soms samen met ze in de avond aan in Amsterdam, met de internationale trein. Vorig jaar de klimaatprotesten met de scholierenstakingen, vooral in Belgie. Nu dan de wereldwijde coronapandemie. Vergeleken daarbij was het jaar van het debacle met de nieuwe internationale trein naar Brussel, Fyra, speelse narigheid, al moesten we ons maandenlang in dichte drommen over de grens heen vechten in de boemel der boemels (bijna 20 stops) tussen Antwerpen en Roosendaal. Verder was er daar niks. En ik heb het maar niet over het jaar van de beroving op het station van Antwerpen, ook iets uitspringends maar meer iets particuliers (hoewel die bendes daar ongetwijfeld in een breder verhaal pasten).
De coronacrisis slaat in bizarheid alles.
Altijd spelen treinreizen in mijn persoonlijke verhaal tijdens al deze periodes een rol. Nu ook weer. In deze coronatijd hebben de reizen naar mijn moeder een heel sterke, symbolische betekenis. De twee tot nu toe, aan het begin en bij de eerste versoepeling, markeren telkens bijzondere momenten.
Morgen ga ik weer naar haar toe, voor de tweede keer sinds ze thuis is. Het is juni geworden en voor het eerst van mijn leven zal ik het openbare leven betreden met een mondkapje voor.
Natuurlijk ook weer een opmerkelijk en markant moment in een mensenleven.

Volgende fase

Tags

, , ,

Geleidelijk worden allerlei maatregelen weer versoepeld, wat sneller dan oorspronkelijk gepland. In het Sarphatipark en op de Albert Cuypmarkt heb ik alle fases die we doorlopen hebben op de voet kunnen volgen.
In de allereerste week halverwege maart moest iedereen erg wennen, en hield de handhaving ook niet over. Daarna werden er in het park lichtkranten geplaatst met waarschuwingsteksten en -beelden (‘Houd anderhalve meter afstand’, op een zeker ogenblik ook ‘Boete: Euro 390) en verschenen hekken om de trainingstoestellen en de picknicktafels heen. Op de Albert Cuypmarkt kwam bij de meeste kramen ook hekwerk te staan, aanwijzingen voor looproutes en het afstand houden. Op sommige plekken reikte iemand mandjes uit en konden mensen veilig een voor een langs de uitstallingen lopen. Hier en daar gebeurde het afrekenen tussen plastic afscheidingen. Het lag er een beetje aan hoe groot de stalletjes waren en hoe ze opgesteld stonden. Een aantal weken overheersten de groente- en fruitkramen, en de andere etenswaren. Niks losheid en vrijheid en gekrioel van de markt meer, alles overal strak georganiseerd. Een tijdje kon je op een bepaald gedeelte maar een kant oplopen.
Stap voor stap werd het regime bij de kraampjes weer wat ontspannener, wat minder hekken, minder afscheidingen, mensen konden het weer wat meer zelf uitzoeken.
Nog even en we staan zoals voorheen rustig naast elkaar te wachten, met inachtneming van wat meer afstand. De verkopers dragen de laatste week minder vaak handschoentjes, ook zo’n detail. Wat wel zal blijven is dat mensen nu ook op de markt veel vaker digitaal afrekenen, het kan inmiddels vrijwel overal (voor zover ik weet of merk).
Echt ver gaan de speculaties en het filosoferen over -blijvende- gevolgen van de coronacrisis nog niet, nu ik er bij stil sta. Wie weet zullen die achteraf toch niet zo ingrijpend blijken. Maar ik kan me goed voorstellen dat ontwikkelingen die druk gaande waren, in deze periode versterkt worden, zoals sommige digitale processen. Hoe zal het gaan met thuiswerken, met onlinelessen, ik noemde die al eerder? Hebben we meer zicht gekregen op de voor- en nadelen?
Of we minder gaan reizen, de klimaatverandering definitief serieuzer gaan nemen, blijft de vraag. Zullen misschien onze ogen geopend worden voor de vervelende kanten van sommige ontwikkelingen? Zullen hard werken en altijd druk zijn meer gerelativeerd worden na onze ervaringen van dit voorjaar? Zal de globalisering, of bijvoorbeeld het idee van meritocratie, alles je eigen verdienste of je eigen nalatigheid, onder druk komen te staan?
Of zullen we misschien banger voor elkaar worden, meer op afstand van elkaar blijven, nu we daar de afgelopen maanden in getraind zijn geraakt? Ook als we niet meer aan die afstand gebonden zijn? Mensen zijn gewoontedieren, sommigen zijn heel beinvloedbaar. Straks blijken die mondkapjes blijvertjes, net als in Azie, wie weet worden ze zelfs mode-objecten.
Ook al betwijfelen veel deskundigen hun nut. Sentimenten onder bevolkingsgroepen werken door in de beslissingen van de leiders, en niet alleen volgen mensen andere mensen, landen volgen, op breder plan, ook andere landen. Al worden tegelijkertijd verschillen uitvergroot, als het zo uitkomt.
Ik ben blij dat de hekken die stonden rond de trainingstoestellen en de picknicktafels in het Sarphatipark weggehaald zijn. Vanzelf houden mensen nu wel wat meer afstand, geloof ik, maar het ziet er in ieder geval weer een stuk aangenamer uit. De drukte wordt er soms weer heel aanzienlijk, als ik dat zie hoef ik niet zo bang te zijn voor een blijvende uitwerking van dat afstand houden.
Veel mensen gaan er rustig mee om, ze hanteren de regels wel maar niet heel geforceerd. Alles bij elkaar is de behoefte aan de nabijheid van de ander bij de meesten toch wel sterk ingebakken. En ja, afstandelijke mensen had je altijd al, die kunnen beslist meer vertrouwen in hun manier van doen in deze tijd hebben gekregen.
Ik blijf alert.
*
Sinds half mei zie ik weer veel meer mensen, vrienden, familie, bekenden, bij de een kom ik wat dichter dan bij de ander. We tarten elkaars houding niet, een kwestie van aanvoelen. We wassen handen, zetten ramen open of blijven buiten, en we hoesten niet in elkaars gezicht. En we zijn gezond bij elkaar, zonder symptomen.
Cruciaal voor het idee dat we in een nieuwe fase zijn beland, is de treinreis naar mijn moeder. Haar thuiskomst viel samen met nieuwe versoepelingen.
We hebben de afgelopen tijd veel gebeld, al of niet via skype, zij heeft mij in ieder geval een aantal keren gezien. Dat scheelt allemaal, we konden haar gang in het woonzorgcentrum goed volgen ook al mochten we haar niet bezoeken. Ze aardde goed op een afdeling waar ze in januari al was beland, vanwege de dubbele breuk in haar enkel.
Na een paar weken moest ze intern verhuizen, en dat was wennen voor haar, ze moest meer zelf doen. Maar het was eigenlijk een heel goed teken. Alles wees op meer zelfstandigheid. Een aantal dagen voelde ze zich aan haar lot overgelaten. Vanaf de derde verdieping moest ze zelf brood kopen beneden in een winkeltje, in een rolstoel. Lopen ging niet, ook niet met een rollator, ze mocht nog niet steunen op de voet met de breuk. In de lift kon ze vanuit haar zittende positie niet bij het knopje, daar had ze hulp bij nodig waar ze om moest vragen, Dat was wennen en zo waren er meer dingen. Juist de nieuwe zelfstandigheid bracht onverwachte afhankelijkheid met zich mee. Al bellend probeerden we haar moed in te praten. Ze maakte wat contacten met wie ze regelmatig in het aangename coronaweer met de helderblauwe luchten op een balkon zat, al met al redde ze het wel. In de laatste weken werd er een tent bij het woonzorgcentrum gezet, waarin bezoekjes werden geregeld voor bewoners. Zo zag mijn moeder twee keer een klein half uur mijn zus, mijn nichtje, mijn zwager.
Het wondje aan haar voet, dat ook nog bestreden moest worden, genas rustig maar gestaag. Het zag er steeds beter uit en ook de rapportages na controles bevestigden dat.
Aan het eind van haar tijd daar kon ze in het centrum het lopen al gaan oefenen met hulp van een rollator, en zo werd het zaterdag 16 mei, de dag waarop ze naar huis mocht.
Mijn zus haalde haar dat weekend op en ving haar op, zelf ging ik op maandag naar haar toe voor een aantal dagen. Zeker die eerste week was het goed dat er altijd iemand bij haar was. Allereerst om een indruk te krijgen hoe ze vooruitging, hoe ze zich redde in haar huis na die lange afwezigheid, met hulp van de thuiszorg. Zodat we bij benadering wisten wat wij het beste konden doen en laten.
En vooral om te vieren dat we na al die tijd in haar huis bij elkaar konden zijn.
Het leven hernam zich toch weer enigszins, dat weekend ervoor bracht ik door met vrienden, eten, praten, fietsen naar een tuinhuisje en daar lunchen, allemaal weer wat opener en vrijer. In de trein op maandag was het nog tamelijk rustig. Vanaf juni, als de middelbare scholen weer opengaan, zal de drukte toenemen en dan worden mondkapjes verplicht. Als ze in dit geval geen doekjes voor het bloeden zijn, dan toch lapjes die zorgzaamheid moeten suggereren. Heel mooi, maar ik schat in dat de psychologische betekenis hiervan belangrijker is dan het daadwerkelijke effect.
Ik zou niet willen zeggen dat die psychologie er niet toe doet, het is zo’n teken van rekening houden met sentiment, dat leeft onder groepen mensen. Dat is goed, dat maakt de kans groter dat deze samenleving letterlijk samen zal kunnen blijven leven, zonder al te grote botsingen.
Het ging goed, die dagen in Bergen op Zoom, mijn moeder moet na vier maanden weer onafhankelijk leren lopen, en dat gaat nu al vooruit. Maar ook in haar geval speelt de psyche een grote rol, ze moet de angst om weer te vallen kwijtraken, haar vertrouwen moet toenemen, ze moet afrekenen met onzekerheid, recht voor zich uitkijken. Niet te voorzichtig zijn, en evenmin onvoorzichtig worden. Het blijft laveren.
Ik deed wat ik me had voorgenomen, elke dag werkte ik aan mijn grote klus van dit moment: een bundel 
voorbereiden met essays van scholieren, en een artikel van mezelf. Delen daarvan verbeterde ik. Het viel nog niet mee, ik werd aardig afgeleid, klusjes, boodschappen doen, eten koken, de thuiszorg leren kennen, dat wilde ik ook. Koffie zetten, noem maar op.
Toch, zonder corona zou dit moeilijker zijn geweest. Nu kan ik af en toe een paar dagen komen en doorwerken, tot de zomervakantie. We zullen zien, mijn zussen en ik stemmen onze plannen op elkaar af, in ieder geval ben ik nu flexibeler dan ik in andere tijden zou zijn.
Voor ik op donderdag 21 mei, Hemelvaartsdag, terugkeerde naar Amsterdam, vierden we in de tuin van mijn moeder de verjaardag van mijn zus, met zessen bij elkaar. Ruimte, buiten, geen centje pijn natuurlijk, dat wordt steeds duidelijker.

 

Typerend voor nu

Tags

,

Zeker in het begin van deze coronatijd las ik veel. Ik had minder zicht op mijn bezigheden, ineens leek er een enorme vracht aan tijd over ons uitgestort te zijn, ik vond het lekker om even mijn eigen gang te gaan, na te gaan wat ik wilde inhalen. Besteedde ook tijd aan zaken die ik normaal gesproken deels of helemaal zou hebben laten schieten. Zoals de oproepen om via een kettingactie gedichten met bekenden en onbekenden te delen. Dat vond ik bij deze tijd passen, die eerste weken. Nieuwe vormen van contact onderzoeken. Achteraf vond ik deze uitwisseling niet zo veel opleveren, dit was nou iets wat ik mezelf had opgelegd zonder dat ik heel gemotiveerd was. Het werd al snel een belasting, weliswaar geen al te grote, maar toch. Ik was haast opgelucht toen ik er voor mezelf een punt achter had gezet. Als er nu een iemand zo’n verzoek had gedaan, oke, maar het werden er zes, zeven, acht, en ik kreeg het idee dat die clubjes elkaar overlapten, hier en daar in kringetjes draaiden. Het werkte gewoon niet.
Later zag ik dat ik al in januari zo’n eerste bericht had gekregen. Toen dacht ik, daar kijk ik nog wel eens naar, en dat gebeurde vervolgens natuurlijk niet.
Het hoort misschien wel bij deze vreemde periode, even tijd geven aan iets wat achteraf op tijdverspilling lijkt.
Dat geldt vanzelfsprekend niet voor lezen. Ik wilde thuis reizen, naar andere landen, andere culturen, van hier naar daar, ver weg en dichterbij. Met de Amerikaan Jonathan Safran Foer naar Oekraine, waar hij zijn roots van moeders kant zoekt, in Alles is verlicht. Hier komen meerdere culturen bij elkaar. Daarna naar Scandinavie met Per Petterson in Twee wegen. Ik wil Europa doorkruisen, de oceaan over, naar Afrika, al of niet via de ogen van iemand uit een andere cultuur, confrontaties zien, verbindingen leggen. Dat deed ik allemaal al wel maar nu bewuster.
Grappig dat van de moeder van Jonathan Safran Foer net nadat ik Alles is verlicht uit had (een boek uit het begin van deze eeuw) haar verhaal over de Oekraiense wortels uitkwam. Moeilijk om dan niet te denken aan het werk van haar zoon.
Wat ik ook altijd al deed, is het nieuws volgen en kranten lezen. Dat gebeurde zeker de eerste weken intensiever. Meestal kom ik niet toe aan alle artikelen die me in meer of mindere mate interesseren. Het is toch een kwestie van kiezen en selecteren, al ga ik in het weekend vaak heel ver. Maar nu probeerde ik ze allemaal tot me te nemen. De krant volg ik nu ook op meerdere manieren, op meer tijdstippen, eindelijk heb ik mijn krant overal op geinstalleerd waarop die maar te installeren is. De hele krant digitaal op internet, via mail een ochtend-, lunch- en avondeditie, elke week ook een paar specials rond een onderwerp (boeken, wetenschap, opvoeding). En op mijn smartphone een app met een dagelijkse versie. Allemaal naast de papieren krant. Typisch zoiets waar je de rust voor moet hebben om dat eens grondig aan te pakken.
En nu maar kijken hoe, waar en wanneer ik al die versies ga gebruiken. Al is het maar dat ik door de dag heen een paar artikelen meepik. Die kan ik dan later in de papieren krant overslaan. Prettig als ik op reis ben en bijvoorbeeld daardoor de zaterdagkrant niet bij me heb. De papieren krant blijft iets heerlijks, meer in het algemeen zie  ik veel heil in het gebruik van allerlei vormen naast elkaar.  Bijna altijd hebben zowel nieuwe(re) als oude(re) middelen, media, manieren van aanpak, noem maar op, allemaal hun eigen voor- en nadelen. Op zijn minst is het jammer dat mensen vaak zo rigoureus, zo eenduidig zijn in hun keuzes. Een kant op, een richting uit.
*
De eerste weken in dit coronatijdperk heb ik weinig mensen gezien maar ik heb dat amper gemerkt, had genoeg contacten via allerlei kanalen. En nog steeds. Zoom voor videobijeenkomsten met wat grotere gezelschappen, skype met zijn tweeen, ook met mijn moeder die me dan op haar tablet kan zien. Andersom verloopt wat moeizamer, maar ik vang wel eens een glimp van haar op, zes seconden of iets dergelijks. Vervolgens gaat er dan weer iets mis, raakt ze het scherm ergens aan, weet ik veel, maar we zijn even bezig zoals we dat bij haar thuis kunnen zijn, oefenen, uitproberen, dat vind  ik allemaal prima. Dit allemaal via de laptop, met mijn zussen belde ik al een paar keer met beeld via whatsapp, op de smartphone. Dat doen we dan weer met zijn drieen. Soms worden er ook andere kanalen of systemen uitgeprobeerd, daar zit dan een of ander voordeel aan, dat ik soms wel en soms niet zie, en er komen artikelen en discussies over de veiligheid en privacykanten van al die manieren. Ook Zoom, dat toch wel een soort frontrunner is geworden, het wordt nu echt veel gebruikt, ontkomt daar niet aan. Maar dat bedrijf heeft snel ingegrepen, is mijn idee, ik voelde onmiddellijk de angst voor reputatieschade.
Ik zit in iets meer whatsappgroepen dan voorheen, heel divers, daar kom ik nu ook meer aan toe, heb iets meer de neiging om op dat vlak eens wat uit te proberen. Tamelijk vrijblijvend verder, je hoeft er niet meer tijd aan te besteden dan je wilt. Zonder veel omhaal kun je soms wel een idee krijgen van wat mensen beweegt en de stand van zaken hier of daar. Soms worden er even wat grappen gemaakt, de ene keer wat geslaagder dan de andere keer, maar in mijn groepjes altijd welwillend. Daar ga ik niet zwaar aan tillen, zeker niet zolang de toon warmhartig is. Hoogstens ben ik niet van plan te gaan grossieren in overduidelijke overbodigheden.
Met een paar mensen heb ik soms oprispingen van een salvo van korte berichten waarin we van alles uitwisselen. Zoals met iemand met wie ik werk en met wie ik me heel vertrouwd voel, dat gaat het over onze activiteiten, over plannen, over ideeen, over van alles. Dat deden we trouwens ook al voor de coronatijd, maar het heeft nu wat meer een regulier karakter, vaak in de avond en het kan makkelijk bijna een uur duren.
Ja, wat loopt, en wat loopt minder, wat bevalt en wat bevalt minder, wat zal overleven en hoe?
Videogesprekken helpen om contact te houden als lijfelijk contact beperkt is zoals op dit moment, om iets noodzakelijks dat speelt tussen meer mensen te kunnen doornemen, maar ze zijn niet zaligmakend. Eerder kwamen skypecontacten bij mij niet van de grond omdat ik het persoonlijk lastig vond om daarvoor af te spreken. Dat liep en loopt nu makkelijker doordat we allemaal veel meer thuis leven en werken.
En wat gebeurt er als dat weer minder wordt?
Uitwisselingen via beeld vind ik in kleinere groepjes prettiger dan in grotere (meer nog dan dat dit geldt voor ontmoetingen in levende lijve), zakelijke zijn iets beter te regelen dan vrijblijvende, en wanneer meer dan vijf mensen deelnemen is het wel handig als iemand de (niet al te strakke) leiding neemt.

Midden in coronatijden

Tags

Als lessen of workshops uitvallen, om welke reden ook, moet ik altijd even een teleurstelling wegslikken. Vooral als het vlak van te voren gebeurt.
Ik heb me voorbereid, heb me erop ingesteld, heb er zin in, wil iets laten zien, en dan loopt de ballon leeg.
Maar zo vaak komt het nou ook weer niet voor, het ontregelt mijn leven niet, het hoort erbij en ik kan het snel genoeg wegslikken.
Hoogstens als ik daardoor op langere termijn in tijdsproblemen raak, iets minder goed kan afronden, is dat iets lastiger.
Ik heb niet alles in de hand, dat weet ik, en ik moet mezelf niet afrekenen op zaken waar ik niets aan kan doen. Als ik me zou laten ontmoedigen of zou blijven hangen in irritatie, zou juist dat een reden zijn om mezelf ernstig toe te spreken.
Niet doen dus.
Nu ziet het ernaar uit dat alle lessen, alle workshops, vrijwel alle activiteiten buitenshuis tot aan de zomervakantie zullen wegvallen.
Na een de eerste periode van drie weken, waarin de scholen en de horeca en de theaters en festivals en grootschalige evenementen dicht of gesloten of afgelast waren of bleven, tussen 15 maart en 6 april, volgde een verlenging van een vergelijkbare periode.
Als alle maatregelen effect hebben, en de politici met de virologen als belangrijkste raadgevers het coronavirus weten in ter dammen, zullen er versoepelingen komen. Eerst zullen dan basisscholen geopend worden, ergens in mei, daarna pas weer de middelbare scholen.
Die laatsten misschien vanaf begin juni. Nooit volledig, mondjesmaat, leerlingen in kleine groepjes, zodat iedereen afstand van elkaar kan blijven houden, die beroemde anderhalve meter, en zeker nog geen volledige klassen tegelijk.
Ik geloof niet dat ik daar dan direct een rol in kan spelen, als begeleider van speciale activiteiten. De scholen zullen moeite genoeg hebben om alle achterstanden weg te werken, ondanks alle lessen op afstand, en al hun leerlingen op een overtuigend niveau naar de volgende klas over te laten gaan.
Met andere woorden: tot aan de zomervakantie kan ik het wel vergeten, in een lokaal staan, met een klas werken.
Dat neem ik allemaal heel laconiek op. Vanaf half maart geen activiteit meer, althans geen werk buitenshuis, absoluut inkomstenderving, ik mis bijzondere manifestaties die afgelast zijn, zoals de voorrondes van Debat en Essay en zoveel meer, en toch laat ik dat allemaal rustig over me heen komen.
Er is niets aan te doen, iedereen maakt dit mee, dat maakt alles uit. Iedereen kan een treurverhaal ophangen en dat neutraliseert. De uitzonderlijkheid van de situatie slokt ons op, daar zit spanning in, veel onzekerheid, het laagje van ‘leven bij de dag’ krijgt meer kracht. Al heb ik voor mezelf toch ook weer programma’s in mijn hoofd die langere tijd beslaan. Maar zelfs deskundigen weten niet hoe het verder zal gaan, al ontdekken ze wel elke week meer. Politici opereren omzichtig, ze willen geen risico’s nemen en zo weinig mogelijk onnodig kapot maken, we zijn echt getuigen van koordanserij.
De waarneming, dat je eigen geluk en welzijn mede afhangen van de vergelijking met het geluk en welzijn van anderen in jouw omgeving, wordt weer eens bewezen. In deze omstandigheid iets heel begrijpelijks. Dat zegt iets, dit leert ons iets.
*
Alles bij elkaar genomen vind ik dat ik het in deze periode slechter zou kunnen hebben. Natuurlijk is het rustiger en dat is niet alleen verschrikkelijk, al mis ik de scholen, de drukte in de gangen, de dynamiek in de klassen, de spanning die elke ontmoeting met een groep met zich meebrengt. Niet een is er hetzelfde, altijd weer moet ik aan de bak om ze te pakken te krijgen. Dat heeft heel aantrekkelijke kanten.
Nu kan ik meer mijn eigen ritme bepalen, eigen keuzes maken. Maar elke dag stel ik wel doelen, en als sommige bereikt zijn komen er weer nieuwe.
Ik maak een verschil tussen doordeweekse dagen en het weekend, in de week werk ik gemiddeld twee keer een aantal uren, op zaterdag doe ik het meest uitgebreid boodschappen op de markt en in de supermarkt, gecombineerd met parkwandelingen, en lees ik uitgebreid de krant, en zondag is de libero, lezen, werken, schrijven, wat zich aandient. Ik werk aan vormen voor lessen op afstand, ook aan de leerlijn rond kunst (‘Film, Taal en Betekenis’) op het Haarlemcollege waar we subsidie voor hebben gekregen.  Alles wat ik nu kan voorbereiden, al het materiaal dat ik nu maak, is meegenomen. Daar kan ik na de zomer veel plezier van hebben. Een les voor docenten heb ik op film gezet, ik ben nog niet helemaal tevreden. Iets heel nieuws voor mij.
Typerend voor deze tijd zijn de zoom-ontmoetingen, in een paar weken tijd heeft dat een hoge vlucht genomen. Mensen blijven binnen, zien elkaar amper, en zoom is een manier om met veel mensen tegelijk in beeld te vergaderen of te praten of voor mijn part te feesten of weet ik wat. Het bestaat allemaal al langer maar er was toch een noodzaak nodig om er met zijn allen flinke stappen in te zetten. Dat geldt voor heel veel mensen. Net als de videolessen die scholen op dit moment opzetten en ontwikkelen: nu het moet, gebeurt het. We zullen zien wat beklijft, de voor- en nadelen zullen nu sneller helder worden dan als deze coronacrisis niet zou zijn uitgebroken. Net als thuiswerken, er wordt allang veel over gesproken en grote kans dat het in deze periode pas echt een grote impuls krijgt.
*
Op een platform liet ik vallen wat er allemaal niet doorging voor mij, de lessen, de shows, de bijzondere bijeenkomsten. Puur de feiten, geen klaagverhaal. Iemand reageerde: er zijn videolessen op afstand, neem contact op met leraren en ga door met je werk.
Zo simpel ligt het niet. Dit is niet direct de tijd voor speciale activiteiten en gastlessen op scholen. Maar met de School der Poezie ontwikkelen wij wel ideeen die (mede) geschikt zijn voor lessen op afstand en die bieden we ook aan. Ik werk van alles uit, naar onderwerp (een actuele: isolement, dat is haalbaar, wil ik wel uitproberen), naar beweging of stroming ook, zoals dada en wie weet hoe ik dat vroeg of laat kan gebruiken.
Intussen heb ik genoeg te doen, ook rond mijn boeken, inspringen op berichten en foto’s die verschijnen. Aan sommige dingen kom ik nu eerder toe dan anders maar zelfs nu is de tijd niet eindeloos. Ik ben benieuwd wanneer ik aan het manuscript dat ik onder handen heb, het derde boek over Jordi, het laatste boek over hem, verder zal werken. Daar heb ik zin in, het zou een mooi cadeau van deze tijd zijn maar er komt nog van alles tussen. en als ik denk: nu ben ik er, bedenk ik me dat ik mijn belastingopgave nog moet inleveren. Bijna zoals altijd. En tegelijk is het allemaal ook rustiger. Zeg ik dan maar weer want dat is ook waar.
Ik heb al heel veel, ben al een heel eind, ben aan het slot toe. Alleen heb ik geen idee hoe lang dat slot kan of zal worden. Er borrelt wel veel op, verhaallijnen die naar de laatste bladzijde kunnen leiden.

Elke dag een nieuw gezicht

Tags

, , ,

Het is lekker weer, strakblauwe hemel.
De wereld heeft een bizar gezicht gekregen en dit helpt wel. Ik moet er niet aan denken dat het nu winderig en regenachtig zou zijn, al zou dat misschien wel het beste uitwerken. Het zou mensen makkelijker binnenhouden.
Drieentwintig maart, en ik maak een feestje van mijn lunchtijd thuis. Vaak heb ik wel een restje komkommerschijfjes, ijsbergslablaadjes, geraspte wortel, een stuk paprika. Daar tuig ik brood mee op, het is heel eenvoudig en het ziet er feestelijk uit. Elke dag, en ervoor of erna lig ik een minuut of twintig te zonnen in de loggia, waar tussen 12 en 2 de zon binnenvalt. De eerste dagen zelfs naakt. Allemaal nooit eerder gedaan. Nieuwe functies van de loggia ontdekt, nooit eerder zo vroeg in het jaar in de zon gelegen en een kleur gekregen. Licht hoor, maar toch, 23 maart. En wanneer lag ik nou in de zon midden op de dag? Dat was meer ets voor na vijven, na zessen vaak, en dan vanaf half juni, eerder kwam ik er meestal nog niet aan toe. In het Sarphatipark, daar heb ik in de loop van de tijd veel genoten, veel ontspannen momenten beleefd.
Alles is anders nu. De zon is koesterend, nog een gezonde zon, niet zo sterk in deze tijd van het jaar rond twaalf, een uur. Al moet je dan nog niet overdrijven. Twintig minuten vind ik lekker, en genoeg. Goed voor vitamine D, voor wie minder buiten komt.
Op 13 maart heb ik de laatste lessen gegeven, op het Einstein Atheneum in Evergem. Ik mocht blij zijn dat ik nog welkom was, dat ik in ieder geval de lessen kon afmaken.
Er heerste grote drukte, vooral vanwege de honderd dagen festiviteiten zoals ze die in Belgie kennen: de eindexamenleerlingen gooien de remmen los, honderd dagen voor hun vertrek van school.
In gangen en hallen krioelden de scholieren door elkaar heen en ik baande me daar een weg, zoals altijd. Nog geen grote veranderingen. Op maandag zou de school voor weken sluiten, inclusief de geplande paasvakantie. De honderddagenvierders stormden klassen binnen, niets aan de hand. In de personeelskamer zei iemand dat ze een coronapatient kende en dan zag je mensen toch even wat ingehouden opschrikken.
Tot vier uur werkte ik er en ik verliet de school vol vragen over de toekomst. Vlakbij de tramhalte in Evergem stond het meest markante gebouw in de straat dat me eerder was opgevallen in brand, dat trok even wat aandacht. De tram reed niet, een gaslek of zoiets, ik kreeg de raad de bus te nemen. Voorin instappen kon niet, de bestuurdersplek was afgezet met rood-wit lint.
Dat laatste had dan wel weer te maken met het coronavirus.
Die namiddag reisde ik terug naar Amsterdam, nog steeds in de veronderstelling dat het allemaal wel los zou lopen. De voorronde zouden we ergens in april nog wel kunnen inhalen, de schade zou wel meevallen, de komende weken had ik een vol programma, dat eerst maar eens.
De volgende dag, thuis op zaterdagmiddag, werd ik in een klap uit de droom geholpen.
Tot dan toe had de Nederlandse premier gezegd dat het echt overbodig was om de scholen te sluiten, het zou meer schade aanrichten dan goed doen. Maar nu lieten een groep medisch specialisten een totaal ander geluid horen: het was onverantwoord om de scholen open te houden.
Vrijwel direct wist ik: hier gaat de politieke top naar luisteren, dit is niet meer tegen te houden. Het is een afweging van onzekerheden, van sentimenten die gaan rondzweven, van luisteren naar deskundigen. Hier ging het niet om directe experts maar toch om mensen uit de medische wereld. Ongetwijfeld speelde ook mee wat er in landen om ons heen gebeurde. Allemaal elementen waar rekening mee zou worden gehouden.
Weer een dag later was het al zover: er werd aangekondigd dat om zes uur ’s middags de cafe’s en restaurants zouden sluiten, en dat op maandag de basis- en middelbare scholen niet meer open zouden gaan.  Een snelle actie, waarmee Nederland met maatregelen weer wat inliep op Belgie.
Ik vraag me af of ik ooit eerder naar een mededeling van regeringswege heb gekeken met zo’n groot direct gevolg voor mijzelf. Met onmiddellijke ingang vielen alle activiteiten voor de komende drie weken, van 16 maart tot 6 april, in een klap weg.
Tegen die tijd zouden we horen hoe het verder zou gaan.
In de loop van de week lieten mijn opdrachtgevers weten dat ik van de opdrachten die in die drie weken ingeroosterd stonden, de helft van het honorarium zou kunnen factureren.
*
Met mijn moeder gaat het inmiddels weer goed. Vorige week donderdag kon ze verkassen van het ziekenhuis waar ze herstelde van de operatie aan haar enkel naar het woonzorgcentrum waar ze eerder een aantal weken had doorgebracht.
Ze was weer flink onderweg op het traject dat ze pas al een keer had afgelegd, nu hopelijk voor de laatste keer.
Ik besloot haar op de laatste dag dat ze in het ziekenhuis verbleef op te zoeken. Dat was op woensdag, de laatste keer voorlopig dat ik dicht bij haar kon komen.
In het woonzorgcentrum zou dat niet meer kunnen, deze centra zijn verboden terrein geworden voor bezoekers. Een heel vreemd idee om haar daar alleen achter te laten vanaf het moment dat ze daar de drempel zou passeren, in haar rolstoel.
De treinen reden op woensdag nog redelijk normaal, sinds afgelopen zaterdag is de dienstregeling versimpeld. Ik reisde via Den Bosch, overal was het rustig, in de coupe’s zaten hoogstens drie of vier mensen. Het kostte weinig moeite om genoeg afstand van elkaar te houden, de anderhalve meter die inmiddels een begrip geworden zijn. Onvoorstelbaar hoe snel dat gaat.
Er hing een gekke sfeer overal, niet de rust van de vakantieperiode al had het daar iets van weg. Wel erg stil, geen dagjesmensen of toeristen, geen gezinnen met kinderen onderweg, ook weer geen paniek alsof er een ramp was gebeurd. Misschien meer alsof Nederland ineens een wat afgelegen, kalm gebied was geworden. Maar als je dan een stad inliep, had dat iets spookachtigs, er klopte iets niet. Waar was iedereen gebleven?
Met mijn moeder had ik die avond een opgewekt gesprek, ik denk dat we ons geen van beiden een helder beeld van de toekomst, van de komende situatie konden vormen.
Op donderdagochtend zou mijn zus haar ophalen, voor de verhuizing naar het woonzorgcentrum. Ze had mij gevraagd om daar ook heen te komen, ook al konden we allebei bedenken dat ik weinig kon doen. Daar ging het helemaal niet om, waar het om draaide was dat we haar samen aan het woonzorgcentrum overdroegen, zonder dat we haar daarna zouden kunnen bezoeken en zonder dat we wisten hoe lang dat zou gaan duren. dat we dit idiote moment deelden. De coronacrisis die nu echt doorwerkte in onze levens, de maatregelen in onze persoonlijke omstandigheden op zijn scherpst. Er mocht maar een persoon mee naar binnen bij de overdracht, ik moest buiten blijven, dat vatte de absurditeit van waar we in verzeild waren geraakt, ook goed samen.
Mijn moeder onderging het allemaal gelaten, gericht op het uit de auto komen, de rolstoel in, de schuifdeur door. Echt afscheid nemen was er niets eens bij, dat werd dan weer versterkt doordat we afstand dienden te houden.
De wereld waarin we verzeild waren geraakt. En niet alleen wij, maar iedereen, zo veel mensen maakten dit soort situaties mee. Of net iets anders.
Mijn zus en ik troffen elkaar nog in het huis van onze moeder, dronken er samen een kop koffie, en probeerden de onzekerheden, de onduidelijkheden, de onvoorstelbaarheden onder woorden te brengen. We wisten niets, we wisten niet, hoe lang we onze moeder niet zouden zien, hadden geen idee hoe haar genezingsproces verder zou verlopen, hoe het zou zijn om dat op afstand mee te moeten maken. We probeerden onder woorden te brengen wat we konden doen, veel bellen, misschien beeldbellen, als het zou lukken, ze heeft een tablet. Hoe het verder met ons zou gaan, wanneer wij elkaar weer zouden zien, ja, wat stond ons te wachten?
Ik deed haar uitgeleide naar haar auto, en we haalden wat onwennig onze schouders op. We zouden waakzaam blijven, afwachten en kijken wat we wanneer waar konden doen.
We hadden echt geen idee.
*
Terug in de stad, in Amsterdam, liep ik door de abnormaal rustige straten, maakte net het eind van de dag op de Albert Cuypmarkt mee, die ook wat ingekakt overkwam. In het Sarphatipark zag ik sportjongens in het hoekje met de trainingstoestellen onbekommerd aan de slag zonder zich al te druk te maken om de afstand tot elkaar.
’s Avonds zag ik beelden uit Gent, waar inmiddels een samenscholingsverbod geldt.
De Belgen vinden dat ze het beter doen dan de Nederlanders en kijken wat meewarig naar ons.
De grenzen tussen onze landen zijn nu gesloten.