Nieuwe rages

Tags

, , ,

Altijd valt me in Madrid een nieuwe rage op die me eerder was ontgaan. Soms zie ik die dan later elders terug. Heeft het met mijn manier van kijken hier te maken?
Rages kunnen zich natuurlijk ook regionaal beperken.
Ik ben benieuwd hoe het zit met die van dit jaar: neuspiercings.
De piercings waren er de laatste tijd een beetje uit. Het draait allemaal om tatoeages, al jaren inmiddels, hier ook. Hier vielen me voor het eerst nieuwe patronen op, hele kunstwerken met veel kleuren. En teksten, sierlijk vormgegeven teksten.
Misschien komt het doordat iedereen hier vanwege de hitte relatief schaars gekleed gaat en ik bijna dagelijks in het zwembad kom.
Oorringen en -knopjes waren ook op de terugtocht, haast verbannen zelfs maar nu aan een lichte revival begonnen, de knopjes tenminste.  Maar die neuspiercings zijn nu de grote winnaars hier. Een stevig stalen boogje door het neusschot heen, dat is verreweg  de meest voorkomende. Heel opvallend.
Wat zijn we toch onbeschaamd kuddedieren. Lief eigenlijk.

Mijn favoriete zwembad in Lago moest het maar liefst drie jaar zonder het hoofdbassin doen. Het overgebleven bad was kleiner maar lag wel lekker in het groen.
Nu is dat hoofdbassin weer toegankelijk,  de belangrijkste verandering is dat de tribunes zijn weggehaald. In plaats daarvan zijn nu grasvelden aangelegd.
Van kunstgras.
Een concessie vanwege de exploitatie? Een bezuiniging? Veel minder onderhoud neem ik aan. Het voelt ruw aan mijn benen. Dit in een verder heel natuurlijke omgeving.
Ik vind het niks maar verder is de sfeer als vanouds. Iedereen is er weer, de families, de homo’s,  de vriendengroepen, de mensen alleen, donkere mensen, lichte mensen, gespierde mensen, minder gespierde mensen, mensen met heel verschillende achtergronden.

Op  de gevel van CentroCentro, op Cibeles nummer 1, nu: Welkom vluchtelingen.
Binnen nu een tentoonstelling met foto’s van het kampement op de Puerta del Sol van de 15 mei-beweging, tijdens de protesten van 2011 die ik heb meegemaakt. Die zomer dat de Puerta del Sol een aantal dagen was afgesloten.
Inmiddels deel van de geschiedenis, verbeeld op een expositie.

Het heden: Spanje probeert uit alle macht een coalitieregering te vormen maar het lukt niet. Ze zijn het niet gewend, maar nu kan het niet anders. In juni zijn al voor de tweede keer in korte tijd verkiezingen gehouden om uit de impasse te komen maar het helpt niet. Naast de twee grote partijen die elkaar sinds de afschaffing van de dictatuur afwisselden zijn twee nieuwe partijen opgekomen, sinds de protesten van 2011, en die laten zich nu niet meer wegdrukken.
Een partij kan geen meerderheidsregering meer vormen. De partijen blijven elkaars voorstellen afwijzen en in  de media begint de roep om ‘verantwoordelijkheid te nemen’ aan te zwellen. Heel grappig om te zien als je uit een coalitieland bij uitstek komt.

Na de afrondingen, 2

Tags

, , , ,

Bij Kasteeljuweel op het Muiderslot was dit voorjaar het onderwerp droomkasteel . Tegenwoordig sluiten we aan bij de tentoonstellingen die in het kasteel worden georganiseerd en deze keer was dat Van Muiderslot tot Bommelstein. Of andersom.
Daarin kreeg de Bommelreeks van Marten Toonder alle aandacht, en werd Bommelstein vergeleken met middeleeuwse kastelen, en in het bijzonder het Muiderslot.
Bommelstein lijkt op het Muiderslot, in grote lijnen. Geen van beide zijn ze trouwens onveranderlijk, het werkelijk bestaande slot is natuurlijk in de loop der eeuwen regelmatig verbouwd, gerestaureerd of gerenoveerd. En Bommelstein blijkt ook niet altijd hetzelfde, de verschillende tekenaars hebben hier of daar wel eens wat aangepast als het zo uitkwam.
Als de klassen een ochtend of middag komen, leiden we ze de eerste drie kwartier rond over de tentoonstelling en door de tuin, als voorbereiding op het schrijven van een gedicht, en in het begin moest ik wel even zoeken naar de juiste invalshoeken en toon. Ik ben ook allesbehalve een Bommelkenner, ik heb de strip weinig gelezen, al houd ik wel van de fijnzinnigheid en de humor van de Toondertaal. Het is iets wat ik zou moeten inhalen.
Die toon en benadering vond ik in de tegenstelling werkelijkheid-fantasie en in de vraag waar die twee elkaar raken. En in de rol en betekenis van taal op Bommelstein en op het Muiderslot. Zowel uit de Bommelreeks als uit het leven op en rond het Muiderslot zijn uitdrukkingen en woorden in de Nederlandse taal terecht gekomen. Of ze hebben ertoe bijgedragen dat woorden levend zijn gebleven.
Van het Muiderslot weer maar eens even: Tot in de pruimentijd, voor pampus liggen, aangebrand doen (P.C.Hooft was een broodliefhebber, dit woord komt uit de bakkerijen), brave hendrik, heilig boontje.
Van Bommel: Als u begrijpt wat ik bedoel, een eenvoudige doch voedzame maaltijd, verzin een list, met uw welnemen. En bijvoorbeeld een woord als parmantig klinkt in mijn oren als een typisch Bommel-woord. En een aanspreking als jonge vriend doet mij onmiddellijk aan Tom Poes denken.
Bij Toonder en bij Hooft, de grote zeventiende eeuwse dichter en hoofdbewoner van het Muiderslot, kom ik trouwens dezelfde woorden tegen, zoals lispelen. Bij Toonder: het windje lispelt.
En waar raakt de fantasie de werkelijkheid? Eigenlijk zo vaak maar een mooi voorbeeld schuilt al in het begin van het Bommelverhaal. Als heer Bommel en Tom Poes het kasteel voor het eerst zien liggen, roept Tom Poes onmiddellijk: ‘Dat is iets voor U. En daar kunt u een toeristische attractie van maken.’ Niet letterlijk, maar zulke woorden. Dat moet zestig, zeventig jaar geleden neergeschreven zijn.
En wat gebeurt er tegenwoordig met het echte slot? Het Muiderslot heet nu ook Amsterdam Castle, daarmee worden onder andere Amerikaanse toeristen getrokken. Dat leverde de laatste jaren direct velde duizenden bezoekers per jaar op.
In feite raken niet alleen fantasie en werkelijkheid elkaar hier, maar ook verschillende tijden.
Voor aanvang van deze versie van Kasteeljuweel leefde de vrees dat een nieuwe lichting scholieren amper of niet weet wie Bommel is. Helaas niet helemaal ten onrechte al zaten in vrijwel elke klas wel een paar leerlingen die de literaire strip konden plaatsen.
Toch betekende dat niet dat wat we te vertellen hadden op dooie akkers viel. Zelfs als ze van te voren niets wisten pikten ze genoeg op. En dat is ook terug te lezen in de gedichten die gemaakt werden. Ik vind het frappant hoe velen sferen en karakters haast vanzelf weten te treffen.

een warme knuffel
van een knisperend hart
een kruidige geur
van het eetmaal
In dit fragment zit het hem vooral in het woordgebruik.

wensdroom, wensdroom, wensdroom
ik wil een wensdroom, eist Bommel
Ht is mogelijk als je gaapt en dan slaapt, zegt Pompelpoes
Het is je gelukt, je bent er
Het is je droom kijk je kent haar

Ik wil een kasteel in de heuvels, zegt zij
Dit is mijn droom, zegt het meisje
Bombel vindt het niks, hij wil zijn eigen droom
met oerwouden en papegaaien

Oh nee, waarom ben ik wakker
ik ben aan het wandelen in de heuvels
Hier worden ook karakters getroffen, op een speelse manier. De ijdele, wat kinderlijke en drammerige kant van Bommel, de geduldige raad van Tom Poes, wel de eigen toon in de koosnamen die wat mij betreft niet detoneren, dat dromerige van het wandelen in de heuvels in de slotregel. Zonder enige opsmuk en in alle eenvoud klopt het allemaal zo. Geestig ook, met die verspringingen van dromen, en op het laatst lief en ontroerend en onschuldig, zoals de beer Bommel ook is.

Komt er een beer Bommel
Hij vraagt wat doe je?
Ik zeg ik probeer iets te bedenken
Heb jij ideeen voor mij?
Ik heb altijd ideeen zegt Bommel
Want zo is Bommel
Dat laatste, zo is Bommel, past bij de even goedige als pedante beer, echt zo’n figuur van wie je zegt: Zo is hij. Ook weer in alle simpelheid raak. De leerlingen doen iets eigens, maar de inspiratiebron laat zich kennen.

Het beeld van de jonge vriend doet het ook goed:
een jonge vriend , zo in de wolken
denkend aan haar
zij zo beeldig als een bloem
een jonge vriend, zo eenzaam

Of, een ander fragment:
De jonge vriend die je trouw blijft
zo vaak ontmoet, toch nooit gesproken
Tom Poes is zeker trouw.

Als de bladeren tijdloos vallen
komt er ruimte voor complexiteit
hoe creatief
met welk doel
mijnheer, ik ben geen wijsneus
Dit zijn regels van een vierdeklasser VWO, en dat is ook te merken.

Bijna vakantie nu. De reacties op mijn werk blijven goed, van scholen, leraren en leerlingen. Ook binnen de instellingen waarvoor ik werk.
Een fout is snel gemaakt, al is het maar in de timing van een workshop, maar daar kijkt vrijwel iedereen doorheen.
Het belangrijkste is dat ik me kan blijven verbeteren.
Laat ik vooral blijven vertrouwen op mijn inzet, mijn plezier, mijn betrokkenheid bij leerlingen ook, mijn kennis van zaken.
Het mooist vond ik misschien wel de reactie van de leerlingen van de school in Antwerpen waar ik aan de bak moest, ik geloof begin maart, na de opmerking van een meisje: ‘Waarom doen we dit eigenlijk?’ Zij deden mee aan VERS debat en essay.
Nu zeggen ze: ‘Het was activerend en inspirerend. Leuk om te doen en ook leuk om als publiek klasgenoten en leeftijdgenoten te zien optreden.’
Sommigen hebben ook gezegd dat ze poezie nu eigentijdser vinden dan ervoor.
Dat is toch ook wel heerlijk om te horen.

 


Na de afrondingen

Tags

, , ,

De weken van de afrondingen zitten erop, ik ben nu vooral nog bezig met voorbereidingen voor volgend jaar.
Met Music hall, een van de twee vierdejaarsproducties op het Haarlemcollege, waren we geselecteerd voor een festival in de Toneelschuur maar het ging niet door. dat liep enkel en alleen mis vanwege slechte planning, zestien juni, de dag van de uitslagen van de examens.
In ieder geval is veel materiaal op film gezet, ook van de derde versie van Victory over the sun. Zelfs na het examen hebben we nog met leerlingen geschaafd aan scenes, soms in kleinere groepen, wat goed werkte. Verschillende scenes zijn daar sterker uitgekomen. Maar door allerlei organisatorische tegenslagen heb ik niet helemaal kunnen doen, wat ik met deze versie voor ogen had. Tenminste als uitvoerbaar theaterstuk. We hebben net te veel pech gehad met afwezigheid van spelers. Op een aantal mensen konden we bouwen, die hadden werkelijk wat in hun mars. Anderen waren van goede wil en stegen regelmatig boven zichzelf uit maar redden het uiteindelijk vaak toch niet. Weer anderen zaten vooral zichzelf voortdurend in de weg, maar daar hadden ook anderen last van. En een paar keer liepen ruzies zo hoog op, dat zelfs met politie werd gedreigd. Uiteindelijk is dat wel met een sisser afgelopen maar het tekende de ups en downs van de groep. Niet makkelijk om in zo’n situatie maar liefst twee stukken tot een goed einde te brengen.
En toch, en toch zijn we weer ver gekomen, niet de makkelijkste teksten met niet de makkelijkste groepen. Ik blijf het zeer de moeite waard vinden.

Het tweede jaar met de zes voorrondes voor VERS debat en essay zit erop, deze opzet begint daarmee ook al weer gevestigd te raken. De derde jaargang staat al in de steigers.
Ik blijf schaven, het werkmateriaal wordt steeds uitgebreider. Instructievellen voor debat en essay, een bundel met gedichten die steeds aangepast en licht uitgebreid wordt. Elke keer voeg ik gedichten toe van schrijvers die in het betreffende jaar genomineerd zijn voor de VSB-poezieprijs. En ik blijf ook zoeken naar even sterke als opmerkelijke gedichten die werkelijk wat losmaken, als het kan juist tegengestelde reacties. Goed als voorbereiding op het debatteren.
Vooral blijf ik stoeien met de stellingen voor de voorbereidende lessen en ook voor de voorrondes.
Het gaat er de hele tijd om de beste formuleringen te vinden, alle valkuilen te omzeilen en de debattanten het best mogelijke materiaal te geven voor hun verbale strijd.
Gelijk krijgen is niet waar het bij ons om draait, het gaat erom van twee kanten de best mogelijke argumenten te vinden. Wie dat het beste doet, wint -het is en blijft wel een jurysport.
Aan het begin van het seizoen ging ik aan de slag met achttien nieuwe stellingen waar ik heilig in geloofde. Ik kon ze allemaal goed verdedigen, een flink aantal had ik ontleend aan dichters zelf zoals genomineerde Ilja Leonard Pfeijffer, die had opgeworpen: Onbegrijpelijk poezie is altijd beter dan makkelijke poezie. En Frank Starik heeft aangezwengeld: Moeilijke gedichten worden overschat. Hans Sleutelaar: De zucht naar originaliteit is een vals spoor.
In zo’n laatste geval kun je gaan zoeken naar een eenvoudiger formulering die de lading evengoed dekt maar een ding staat vast: over al deze zaken wordt in de wereld van de poezie gedebatteerd. Als dichters ze zelf aandragen, zegt dat genoeg.
Het is een belangrijk criterium, het geeft me houvast. Ik moet me er zelf natuurlijk van alles bij kunnen voorstellen en dat is hier het geval.
Verder hebben stellingen mijn voorkeur die verwijzen naar een sociaal-culturele of een cultureel-maatschappelijke orientatie. Of naar een kunstopvatting met een maatschappelijke relevantie.
Een dichter moet provoceren vind ik er zo een. Deze verwijst naar een opvatting over kunst (kunst moet provoceren). Een opvatting die niet iedereen onderschrijft- ga in het debat de argumenten maar verkennen. Nogmaals; daar draait het om. En niet om gelijk krijgen, zoals gezegd.
Nog een voorbeeld van een stelling waarmee ik uit de voeten kan: Een dichter dicht voor de eeuwigheid. dat vind ik een essentiele. Het gaat er me niet om het begrip eeuwigheid heel letterlijk te nemen. Ik weet wel dat kunstenaars hier heel verschillend tegenaan kijken. In ieder geval in de manier waarop ze zich erover uitspreken. Maar ze ontkomen er niet aan om erover na te denken. Een bundel of een boek is geen krantenartikel. Wat haal je uit het nu? Schrijf je je boek zo dat het over een paar jaar weer achterhaald kan zijn? Of wil je iets raken dat verder reikt?
Ik weet ook zeker: het speelt. En het speelt terecht.
Meer moeite heb ik met stellingen die het persoonlijke raken. Bijvoorbeeld als een begrip als troost wordt opgevoerd, als in poezie troost of poezie kan troosten. Wie kan voor een ander bepalen of zij of hij troost put uit een gedicht, uit een formulering, uit een combinatie van woorden? Je zou als stelling nog kunnen opwerpen  Poezie moet troosten maar dan nog zeg ik: het oproepen van een emotie blijft iets heel persoonlijks, niet werkelijk aantrekkelijk voor een debat.
Wat niet wil zeggen dat iemand niet een schitterend betoog zou kunnen houden over de troost die een gedicht hem of haar geboden heeft. Want natuurlijk kan dat.
Mij gaat het erom: waar debatteer je over en wat is daar minder geschikt voor?
De discussies daarover gaan door. Het is niet eenvoudig, heel vaak denk ik: heel geschikt, om na een uur toch de haken en ogen te zien.
Stellingen kun je er niet snel even doorjassen.

Creativiteit van reizen en zijn

Tags

, ,

Meivakantie, even tijd om de eerste vier maanden van het jaar te laten bezinken. Veel werk verzet. Elk voorjaar pakt weer anders uit maar het is inmiddels al jaren een periode waarin treinen en hotels of appartementen een rol spelen, een tijd van bagage in- en uitpakken, trekken van stad naar stad en van school naar school. Regelmatig ergens een paar dagen of een weekje bivakkeren. Of maar een nacht, allemaal heel gevarieerd. Altijd weken met verschillende activiteiten waarin er een paar leidend zijn, en met heldere doelen: de best mogelijke lessen en workshops geven en goede presentaties voorbereiden.
En als het dan april wordt, komt er ruimte om aan Kasteeljuweel op het Muiderslot te beginnen en tussen de schapen door naar Muiden te fietsen.
Voor het zover is laat ik me altijd met plezier opslokken, die weken van drukte zijn eindig, weet ik, en duren me nooit te lang. Ik geniet ervan.
Door de manier waarop roosters en schema’s deze keer uitpakten, werd het Centraal Station in Antwerpen een paar maanden lang haast letterlijk het draaipunt van mijn leven. Ook om bijvoorbeeld over te stappen naar Gent. En op  de terugweg natuurlijk. Of om van daaruit de metro of tram naar scholen te nemen.
Achteraf begrijp ik dat mensen zich bezorgd om me hebben gemaakt vanwege de terroristische dreigingen in Belgie. Pas hoorde ik dat veel mensen het land mijden, volgens de statistieken. Zelf heb ik er helemaal niet bij stil gestaan. Terwijl je natuurlijk heel goed zou kunnen veronderstellen dat het Centraal Station in Antwerpen een doelwit kan zijn. Maar goed, het CS in Amsterdam ook, en zoveel plekken, overal gevaren zien zit niet in mijn manier van kijken en denken. Het is ook een kwestie van –simpele kansberekening.

Deze keer heb ik in Antwerpen telkens in het IBIS-hotel in het centrum gezeten, geografisch handig. Altijd zat ik om half zeven aan het ontbijtbuffet, ook handig en lekker en prettig, vaak begonnen lessen om tien over acht hier of daar.
In dat hotel heb ik herinneringen liggen -we logeerden er ook met veel mensen tijdens de finale van Y-Poetry een aantal jaren geleden, in 2010. De lobby was een trefpunt.
En nu kwam ik er in een weekend bekende gezichten tegen uit Amsterdam, een dj en zijn vriend. Ik had hen al in de stad gezien, wist niet eens dat ze op dezelfde plek logeerden en ontbeet met hen op zondagochtend. Mensen die vanwege hun bezigheden festivals afgaan.
Op die zondag kon ik overdag niet mee naar een feest waar zij actief waren, ik moest onder andere een VERS-voorronde in Breda voorbereiden, maar dat vond ik niet zo erg. Dit soort momenten geven me altijd erg het gevoel opgenomen te zijn in een gekrioel van elkaar overal kruisende mensen blakend van activiteit en creativiteit.
Je moet het niet elke dag hebben maar ik krijg energie van een vroege ochtend op een school in Antwerpen, dan de trein nemen naar Gent om er halverwege de dag in een idyllisch theater aan het water in het middeleeuwse centrum een groepje voor te bereiden op een presentatie, en in de late middag nog een workshop in Gentbrugge.
Dat was op 25 februari en ik had telkens genoeg marge om daar volop van te kunnen genieten. Het bewijs dat er veel kan op een dag, als het moet.

Aan schrijven en lezen kwam ik in deze periode minder toe, maar dat is logisch, ik wist het van te voren. Ik wilde ook benutten waar ik was en de ervaringen niet langs me af laten glijden. Door een stad lopen, iets wat ik veel doe, hier en daar eens wat bekijken, afspraken maken met mensen, ontspannen.
Tussendoor moest ik veel organiseren en regelen, de smartphone heeft regelmatig als een minikantoor in de trein gefungeerd. En de laptop op hotelkamers of logeeradressen. Nu, in deze meivakantie, kan ik gelukkig weer volop schrijven, nu ben ik daar ook zeer aan toe.  Al sinds april kan ik activiteiten weer beter combineren, bij wat minder grote drukte en wat minder reizen kan schrijven best tussendoor, een beetje afhankelijk van de fase waarin ik zit.
Deze variaties in periodes vind ik een groot plezier, alleen zal een nieuw boek wat langer op zich laten wachten.
Voor het tweede jaar zijn er nu zes voorrondes van VERS debat en essay door het taalgebied, een flinke uitbreiding van werk rond deze activiteit, waaraan ik me verbonden heb. Dit soort ontwikkelingen beinvloeden mijn werkschema’s natuurlijk, maar ik ben er zelf bij en kies ervoor. Ik ben blij met deze kansen en het schrijven zal blijven, het speelt altijd, al is het maar in mijn achterhoofd.
En nu ligt het weer even voorop.

Kansen krijgen en grijpen

Tags

We hebben de laatste voorronde van VERS debat en essay achter de rug, in Theater van het woord van de openbare bibliotheek in Amsterdam, afgelopen donderdag. Eind mei de finale, in het Compagnietheater.
Een van oorsprong Marokkaans meisje uit 5 VWO van Hervormd lyceum west was een van de winnaars en na afloop wou ik haar de hand schudden. Ze weigerde vriendelijk mijn uitgestoken hand, met de opmerking: ‘Dit is niet persoonlijk hoor.’
In mijn verwarring zei ik: ‘O, sorry.’
Alsof ik zelf even iets over het hoofd had gezien in het menselijk verkeer.
De leraren schrokken, ze hadden dit ook niet eerder meegemaakt en ze zeiden: ‘Dit moeten we in de gaten houden.’ Ze vroegen zich af wat ze gemist hadden. Was dat meisje aan het radicaliseren en zo ja, in welke mate?
VERS debat en essay is een activiteit voor de bovenbouw van het VWO en HAVO, het hogere niveau dus, en we werken veel op scholen met leerlingen van niet-westerse afkomst, zeker dit jaar. Boeiend, deze leerlingen zullen voortrekkers kunnen worden, zij kunnen kansen krijgen en grijpen, tenminste dat hoop ik.
Een van de deelnemende scholen in Rotterdam, het Cosmicuscollege, heeft alleen een HAVO- en een VWO-afdeling. Daar lopen zeker slimme leerlingen rond, maar ze hebben vaak grote taalachterstanden. Vrijwel allemaal hebben ze een niet-westerse achtergrond en dit is echt een school waar radicalisering in de gaten gehouden moet worden. Juist op zo’n school met betere leerlingen. Onder degenen die radicaliseren zijn jongeren die zich mengen in discussies rond maatschappelijke ontwikkelingen, de positie van verschillende groepen en godsdienst. Er wordt veel gespijbeld, veel leerlingen gaan hun eigen gang. Een jongen die in een klas had gezegd dat hij atheist was, kreeg het vervolgens heel moeilijk, die had geen leven meer.
Zo’n school is wel een plek waar onze huidige samenleving broeit en gist en waar ze zich met veel vallen en opstaan vooruit worstelen. Het lerarencorps bestaat ook voor een groot gedeelte uit mensen met een niet-westerse achtergrond. Hier is het niet de vraag of de multiculturele samenleving mislukt is, hier bestaat hij gewoon en moeten mensen verder. Ik hoor wel dat er altijd gebrek aan leraren is, bijvoorbeeld bij Nederlands. Velen die het proberen haken vroegtijdig af.
Zelf proef ik op zo’n school een geladen dynamiek van goede wil, weerspannigheid, onvermogen en gedrevenheid onder leerlingen die mij persoonlijk aandrijft. Het is alsof ze allemaal zoeken naar vaste voet onder de grond. Velen zijn ook wel nieuwsgierig maar die nieuwsgierigheid heeft nog te weinig positieve ankerpunten en slaat makkelijk los. Door de ongerichtheid kan het soms zelfs iets agressiefs krijgen.
Tegelijk zie ik vooral meisjes die hun energie een positieve wending geven en op wie ik in ieder geval kon bouwen. Op een geweldig groepje meiden uit 5 HAVO bijvoorbeeld, die elkaar ook weer steunen. En sommige jongens zijn heel goed gebekt, streetwise zijn ze en dat helpt hen wel verder, ze kunnen zich staande houden.
Tijdens de voorronde van VERS debat en essay deed de school het verrassend goed, vooral een jongen die onverwachts won viel op. Iedereen blij, het zijn van die momenten die ik zo’n school en de leraren in hoge mate gun: volhouden en stap voor stap verder.
Op een andere deelnemende school, Het Pestalozzilyceum in Antwerpen, moest ik echt aan de bak. In een klas had tijdens de eerste ochtend de pech van een brandweeroefening en aan het begin van de  tweede keer, op een vrijdagmiddag, vroeg een meisje: ‘Waarom doen we dit eigenlijk?’
Die vraag krijg ik wel eens vaker, bijvoorbeeld van een tweedeklasser die nog nooit een gedicht heeft geschreven bij een eerste kennismaking.
In zo’n situatie is de kans groot dat ik dan een tegenvraag stel: ‘Wat denk jij zelf eigenlijk? Heb je een idee?’ En dan hebben we al snel een uitwisseling over schrijven en taal en woorden en creativiteit die er voor mij toe doet.
In dit geval ging het om mensen die op het punt staan om naar de universiteit te gaan -in Belgie doen vaak zesdeklassen aan VERS debat en essay mee, dat heeft met hun systeem te maken, geen centraal landelijk schriftelijk, dat geeft in dat laatste jaar meer ruimte en mogelijkheden.
Deze keer was mijn reactie geen wedervraag of een simpel rechttoe-rechtaan antwoord.
We hadden al een kennismaking achter de rug en zij waren al ver.
Ik hield een stevig betoog over de plek van kunst en cultuur in ons bestaan, over een toekomst in een wereld met technologische vooruitgang, waarin werk en bezigheden een andere plek gaan krijgen, over de betekenis van taal, woorden, debat, denken, argumenteren. Zo’n betoog, waarin woorden vanzelf op hun plaats vallen en je je niet verspreekt. Niet boos, maar in feite mensen impliciet aansprekend op hun (naderende) volwassenheid.
Het maakte indruk, in  de pauze omhelsden maar liefst een stuk of vijf mensen me, echt omhelzen. Een jongen sprak met me over de klas, die volgens hem in twee kampen uiteenviel. Degenen die alles sceptisch en wantrouwig benaderden, zeker het onbekende, en degenen die interesse toonden voor nieuwe invalshoeken.
Als ik stuit op spanning of op problemen in een klas, blijkt er eigenlijk altijd meer aan de hand te zijn. Met wat geluk kan ik dan iets openbreken, in de positie van een buitenstaander.
In dit geval bereikte ik uiteindelijk ook de sceptische groep, volgens mij. Tenminste, aan het eind van de middag kreeg ik ook uit die hoek duimen omhoog, en opmerkingen als: ‘Ga zo door, jij staat ergens voor.’
Er gebeurt veel moois. Op een andere school in Antwerpen maakten leraren zich bezorgd over de deelname van een vijfde klas aan VERS debat en essay vanwege het relatief lage niveau, en het woord ‘tucht’ viel. Dat nam ik eerst wat zwaar op, maar in Belgie houdt dat vooral speciale  maatregelen binnen de school in, als ik het goed begrijp.
Tijdens mijn uren met de betreffende klas bleek het meisje waar de meeste problemen mee waren heel geinteresseerd en ze deed van begin tot einde heel actief mee. Tot vreugde van de lerares.
Zoiets is geen uitzondering. Die verdieping, eens even wat anders, een andere benadering, die buitenstaander, even iets speciaals, kan heel verfrissend werken.

Vluchtelingen raken de harten

Tags

, , , , ,

Niet eerder heb ik meegemaakt dat een onderwerp uit het nieuws, uit de actualiteit, de leerlingen zo bezighield als de vluchtelingenkwestie nu. Vanaf het begin van het jaar zijn er ook gedichten over gemaakt, betrokken, geraakt, meelevend, zich inlevend, soms met verbindingen naar henzelf.
Vol liefde vluchten
vol spijt vluchten
met angst aankomen
met verwachtingen aankomen
op een boot met blijdschap
op een boot met gevaren
(…)
Of:
kapot geschoten straten zonder een moeder
daar sta je hulpeloos verlaten
mis je je moeders warme hand
dan sta je te denken vluchten of schuilen
(…)
met harde knallen in de avond
zo luidruchtig
slapeloze nachten, verlangen op de dag
dat het voorbij is
De verscheurdheid, het leven tussen hoop en vrees, de overlevingsdrift, die komen er vaak goed uit.

Zelf blijf ik er ook mee bezig. De vraag hoe homoseksuele vluchtelingen die het zwaar hebben in asielzoekerscentra behandeld dienen te worden, speelde op. Sommige politici hebben de neiging om over de werkelijkheid heen te springen. Maanden geleden al merkte premier Rutte op dat homodiscriminatie in Nederland niet bestaat, dus kon er geen sprake van zijn -alsof daarmee ook het probleem vanzelf dood verklaard kon worden. Ik vond het haast het spiegelbeeld van de stelling van verschillende Afrikaanse leiders dat bij hen homoseksualiteit niet bestaat. Van die onzinredeneringen.
Inmiddels roepen veel politici zoals de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb in het kielzog van die redenering dat aparte opvang beslist ‘het verkeerde signaal’ zou zijn. Beloning van intolerant gedrag, zeggen ze. De daders moeten gepakt worden, dat is de juiste aanpak.
Onder vrienden en bekenden kaart ik de kwestie regelmatig aan, en ik kan dan gedreven raken, dit doet me echt wat. In maart sprak ik er in Antwerpen over met mijn vroegere uitgever Gert, iemand met wie ik een band voel -hij heeft ‘Spinsels van een kater’ en ‘De vijfde jongen’ uitgegeven.  Hij begreep ‘De vijfde jongen’ had ik altijd het idee. Nu werkt hij voor het Vlaamse ‘Humanistische verbond’.
Ook tegenover hem raakte ik weer op dreef, iemand bij wie ik me snel op mijn gemak voel. Iemand aan de goeie kant, iemand die een heldere visie heeft op huidige ontwikkelingen. Hij worstelde met de vragen over de homoseksuelen in de asielzoekerscentra en dat heeft vooral te maken met het idee ‘mensen moeten juist weer niet apart gezet worden.’
Dat argument kan ik volgen. Toch twijfel ik zelf niet over mijn standpunt. Homo’s in  de centra vinden poep in hun bed, worden geconfronteerd met anonieme haatteksten en ander pestgedrag. Daar krijgen dan mensen die de onleefbaarheid in hun eigen land ontvlucht zijn hier mee te maken. Ik heb schrijnende gevallen gezien.
Natuurlijk moeten de daders aangepakt worden, maar die zijn vaak onbekend, die verbergen zich.
Onder intoleranten kan de haat jegens homo’s heel intens zijn. Ik vraag me af of mensen dat wel goed beseffen. En tegen die geniepigheid is geen kruid gewassen.
Het irriteert me dat politici bij deze kwestie ineens een in mijn ogen totaal misplaatste rechtlijnigheid tentoonspreiden.  Van mij mogen ze die reserveren voor zaken waarbij de veiligheid van mensen geen rol speelt. Heel jammer, maar de opvangcentra zijn heel specifieke plekken, onder vluchtelingen kunnen heel conservatieve moslims zitten, mensen die niet terugdeinzen voor agressief gedrag ook, dat is de realiteit.
Mensen dienen beschermd te worden en niet in vijandigheid op hun procedures te wachten. Dat is menswaardigheid.
Eerst de veiligheid, de warmte, dan de principes. Misplaatste rechtlijnigheid vind ik altijd heel verdacht. Net op het verkeerde moment ergens voor gaan staan.

Als we elkaar zien hebben Gert en ik snel een boeiend en vrolijk dispuut, zoals afgelopen november op de Antwerpse boekenbeurs over Toon Tellegen. Teveel telkens hetzelfde, een maniertje, vond  Gert. In de loop van dit seizoen, werkend met de bundel van VSB-prijs genomineerde Tellegen, begon ik hem steeds beter te begrijpen en raakte ik het deels met hem eens. Ik stuitte op de beperkingen van ‘De werkelijkheid’, de bundel van Tellegen.
Maar in die beperking schuilt ook iets schoons, dat blijft overeind staan.
Misschien ga ik meewerken aan een dag rond homoseksualiteit in Vlaanderen, die zijn instelling aan het voorbereiden is.  Zelf zou ik graag weer eens iets opzetten rond ‘De vijfde jongen’, het boek over de liefde tussen een Marokkaanse en een Nederlandse jongen. Wie weet zouden we daar samen aan kunnen werken, het is ook zijn boek, als toenmalige uitgever.
Zomaar een heel losse gedachte.

Toon Tellegen, ik geniet van zijn gedichten, met die wonderlijke draai aan de werkelijkheid. Maar als inspiratiebron voor anderen, voor scholieren had Ilja Pfeijffer toch meer te bieden. Door het rijke, het volle, die stroom woorden, dat uitbundige. Daar kon ik voor de opdrachten over zijn werk ruim uit putten.
Zijn genomineerde en uiteindelijk winnende bundel voor de VSB-poezieprijs, Idyllen, bestaat uit alexandrijnen, rijmende gedichten die bestaan uit regels van twaalf lettergrepen en een eenvoudig gepaard rijmschema (aa, bb, cc, dd, ee etc.).
Als iemand traditie en vernieuwing combineert, is hij het. De vernieuwing schuilt in de dynamiek, de energie, de onderwerpkeuze. Hij roept mensen ter verantwoording: kijk niet meer weg. Doe wat je moet doen. Ook degenen die schrijven.
Idylle 18 gaat over vluchtelingen, het begint zo:
Ze hadden mij  de nacht beloofd, vol met pailletten
als op het glitterpak van sterren, showballet en
een tickertape van bankbiljetten op toneel.
Ze hadden mij  de dag beloofd, zo wit als meel,
koel als de nacht, met gratis water uit de lucht,
zo koud als sneeuw. En zij vertelden het gerucht
dat de verschroeide, rode aarde groen is, dat
gewassen uit de rotsen spruiten, dat een stad
een tuin kan zijn waar volle vlinderstruiken staan.
En het eindigt zo:
Ik was er bijna, had het bijna aangeraakt.
Ze hadden het beloofde fucking land beloofd
en niet de zee. Maar de zee heeft mij van land beroofd.
Want voor een neger is het illegaal te dromen.
En als je halfdood bent, zal een visser komen
die als de dood is voor de wet. Wie negers redt,
wordt als een mensensmokkelaar zo vastgezet.
Gelukszoeker word ik genoemd in de annalen.
Ik wou dat ik het tot zover had mogen halen.
Ik wou bestaan. Ik had zo graag iets mogen mogen.
Maar nu zie ik voor altijd zee met dode ogen.
Pfeijffer is natuurlijk ook een provocateur, alleen al dat hij nu in alexandrijnen schrijft. Het woord ‘neger’ lokte reactie uit, vanzelfsprekend, in de tijd van de zwarte pieten-discussie, en dat zal ook ongetwijfeld zijn bedoeling zijn geweest. Of hij heeft alleen maar obstinaat gedacht: wat is er mis met dat woord?
In mijn lessen en workshops wordt vrijwel nooit gerijmd, maar in dit geval heb ik de handschoen opgepakt en ben ermee aan de slag gegaan. Die combinatie van traditie en vernieuwing prikkelde me, in de vaste versvorm schuilde voor de gelegenheid de kracht van de beperking en ik kon ook wel uit de voeten met het weerbarstige engagement van Pfeijffer.
Elementen genoeg om niet alleen mezelf maar ook de leerlingen te prikkelen, met als leidraad: zorg dat de betekenis, dat wat je wilt zeggen, het altijd wint van het rijm.
Dat lukte, vind ik, de een slaagde natuurlijk beter dan de ander. Ik vond het fascinerend hoe hard er gewerkt werd. Sommigen volgden de regels van het alexandrijn heel precies, anderen werden iets rekkelijker (dat mocht, bijvoorbeeld regels met tien of acht lettergrepen). De een werd veel creatiever in de omgang met rijm dan de ander. Je hebt zo veel mogelijkheden om het naar je hand te zetten. Ergens is het ook een les in (gerechtvaardigde) manipulatie om te zorgen dat je krijgt wat je wilt, en dat ook nog op een sterke, overtuigende manier. Grappig om te zien dat mensen vaak blijven hangen in een wijze van oplossen, dan concentreren ze zich bijvoorbeeld op de alternatieven voor een woord, terwijl er zat andere mogelijkheden zijn.
Een van de resultaten:
Soms
Soms heb je geen woorden nodig om te praten
kun je de drooggevallen vlaktes weglaten
huilen met dichte tranen, je huilt niet, je lacht
ik begrijp je volkomen, ik ga niet, ik wacht
een grijze haar die langzaam op mijn hoofd groeit
bloed dat steeds stroperiger door mijn lichaam vloeit
met jou aan mijn zij kan ik rustig gaan slapen
het voelt alsof mijn eigen ik is herschapen
ook al regent het en kleurt de lucht zich met grijs
met jou kan ik pronken, zelfs al heb ik geen prijs
ook al speel ik verstoppertje of ben ik blind
ik zie je staan, ik weet dat ik je altijd vind

Twee maanden heen en weer

Tags

, , ,

Begin april inmiddels. Ongeveer twee maanden heb ik heen en weer gependeld tussen Nederland en Belgie. Een heerlijk dynamische periode vond ik het, vanaf eind januari. Onvoorstelbaar weer hoe ik roosters en schema’s zo kon indelen dat ik op de heen- of terugweg naar Antwerpen of Gent een ochtend in Rotterdam of een paar uur in Haarlem kon inlassen. Op de een of andere manier lukt dat altijd weer, zolang ik niets voor onmogelijk verklaar. Het devies: blijven puzzelen. Een paar keer heb ik ’s ochtends in Rotterdam gewerkt en diezelfde dag nog ’s middags in Gent, en dat kon dan door het geluk van de combinatie van heel vroege en tamelijk late lesuren. Inderdaad heb ik weer geluk gehad en elke keer denk ik: volgend jaar loopt het vast fout, nu heb ik gedreven op toevallige meevallers. Maar telkens vind ik toch weer oplossingen en ik ga er nu maar vanuit dat er elk jaar zowel meevallers als tegenvallers zijn. De tegenvallers hebben mij niets te bieden dus ik ga door op de meevallers en ja, logisch dat die zich uiteindelijk vrolijk in mijn hoofd nestelen als de overwinnaars.
In dat puzzelen heb ik altijd best lol, ik probeerde weer een zo handig en efficient mogelijk schema te maken aan de hand van alle te geven lessen en workshops. Zo veel mogelijk doen in een weekje Gent, of in vier dagen Antwerpen. Maar door het volle programma ontkwam ik niet aan dat heen en weer pendelen. De meeste plekken waar ik in deze periode (veel) moest zijn lagen wel op een lijn van noord naar zuid, met niet te veel afwijkingen, dat hielp me ook: Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Breda, Antwerpen, Gent.

Typerend voor deze periode: als ik in Belgie aankwam, liep ik vrijwel onmiddellijk op stations of andere openbare plekken langs twee zwaar bewapende militairen. Meestal keken ze niet al te grimmig, als in een heuse politiestaat, maar ze waren er wel. En bij terugkeer in Amsterdam, vaak ’s avonds met een internationale trein, slalomde ik na het verlaten van de trein op het perron tussen vriendelijk ogende mensen door met bordjes waarop stond ‘refugees’. Het werd echt zo’n terugkerend patroon dat het zich in mijn hoofd vastzette als een symbool van deze tijd. De tijd van vluchtelingen en van terroristische aanslagen -na de aanslagen in november in Parijs bleek de wijk Molenbeek in Brussel een waar broeinest van Jihadistische terroristen en Belgie stond op scherp. Hoewel ik dat ook niet wil overdrijven, zo veel merkte ik er verder ook weer niet van. Maar het verschil met Nederland sprong er wel uit.
Als ik in de trein zat, dacht ik er nooit aan, dat mensen om me heen vluchtelingen zouden kunnen zijn. Zelfs niet na die boordjes meerdere keren gezien te hebben. Hopelijk zegt dit niet al te negatiefs over mij maar het kwam misschien ook wel doordat niemand die ik zag me op het idee bracht: dat zou wel eens een vluchteling kunnen zijn.
Op het perron dacht ik er wel eens aan om mensen die daar stonden aan te spreken, of om te kijken wie er opgevangen werden, me erin te gaan verdiepen. Maar dat was altijd secondenwerk, ik had het zo druk, ik moest allerlei activiteiten tot een goed einde zien te brengen, het was al laat, ik moest ook nog slapen, had hier weer veel te doen.
Op 22 en 23 maart was ik ook weer in Antwerpen, nu voor drie slotshows daar. En deze keer niet alleen maar met een hele groep mensen, de technici, breakdansers, presentatoren, de producers. We logeerden met zijn allen in een tot hotel omgebouwd klooster. Op de ochtend van de 23ste wisselde ik voor ik ging ontbijten berichten uit met een van mijn vrienden: ik heb het naar mijn zin, heel prettig hotel, en aan de overkant van het plein hier ligt het theater waar we onze presentaties hebben, ik hoef alleen maar over te steken. Even een aangename, overzichtelijke wereld rond een knus plein in Antwerpen.
Aan het eind van het ontbijt bleef ik met iemand over aan een tafeltje en die vertelde: ‘Er is een aanslag gepleegd in Brussel.’ Ik dacht: dus toch. Is het toch gebeurd.
De hele tijd dat woord “toch”.
Die ochtend trainde ik nog een groepje scholieren dat ging optreden, in alle ongedwongenheid. Na de poezierevue moesten aanwezigen in kleine groepjes de zaal verlaten. Ik liep met het eerste groepje mee, ik kende ze en wilde afscheid nemen. In de hal werden ze toegesproken en kregen ze te horen dat ze direct naar huis moesten gaan, geen school meer, en dat ze het openbaar vervoer moesten vermijden.
Dat was het moment waarop ik dacht: nu wordt het serieus, nu komt het heel dichtbij.
De middagvoorstelling werd afgelast. De theater directeur vond het overdreven: wat had dit voor zin? Ik begreep dat Brusselaar Geert van Istendael, in ons programma als genomineerde voor de VSB-poezieprijs, s’ochtends onderweg het metrostation van de aanslag vlak van te voren was gepasseerd. Zijn vrouw had nog bezorgd gebeld met de vraag of hij goed aangekomen was.
Met zijn allen hingen we rond een uur of een in het theatercafe, wat verdoofd kauwend op broodjes.

Inhoud op goede weg, vorm aanpassen

Tags

, ,

Het wordt bijna een traditie, vlak voor kerstmis nog even een paar dagen in Sneek logeren en werken. Deze keer ook, een goede gelegenheid om wat uren te stelen met mensen met wie ik veel en graag werk. De laatste jaren ben ik nooit meer alleen in Sneek, we zijn er altijd met een groep. Ook al is het hard werken, daardoor krijgt het soms toch iets van een uitje. Misschien ook door de tijd van het jaar, bijna vakantie, zoals je in zo’n periode ook afsluitende borrels het of iets dergelijks.
Ook altijd de moeite waard om met leerlingen in een andere streek te werken, altijd boeiend om de overeenkomsten en verschillen vast te stellen. Hier zijn ze misschien minder gericht op kunst en cultuur, maar juist dan heb je er ook leerlingen tussen zitten, die er bovenmatig in geinteresseerd zijn. Een paar keer heb ik een aantal uren ongestoord met klassen kunnen werken.
Sinds dit weekend is het vakantie en nu kan ik weer aan mijn manuscript werken. Afgelopen donderdag had ik hier in Amsterdam een gesprek met mijn uitgeefster Kristien en de conclusie is: inhoud zit wel goed, de vorm moet wat aangepast worden.
Dat klopte. Ik ben een beetje doorgeslagen met flashbacks, het was aanvankelijk mijn bedoeling om het eerste kwart op die manier aan te pakken. Maar ik kon er soepel mee doorgaan, in korte, prettige hoofdstukjes die me aanstonden en zo kwam bijna het hele  boek uit flashbacks te bestaan.
Te veel van het goede, maar ik had wel het verhaal, en ook een opbouw in die korte hoofdstukjes die ik anders niet had gehad.
Als het meezit, is zo’n beetje doorgeslagen aanpak altijd wel ergens goed voor. Ik wist waar ik mee bezig was, kwam niet vast te zitten en dacht: ik ben benieuwd hoe mensen reageren.
Bovendien heb ik er altijd veel aan als ik een manuscript moet veranderen of als in een volgende fase  een omzetting aan de orde is. Van pen naar computer, van computerversie naar verbeterde computerversie, vervolgens naar verbeterrondes vanuit specifieke invalshoeken -telkens verandert het perspectief wat en altijd levert dat wat op. Een manuscript moet op verschillende manieren tegen het licht worden gehouden.
Soms is er een flow van schrijven maar die is niet heilig. Je kunt niet overal tegelijk op letten. In zo’n flow kan er genoeg kloppen, intuitief haast, maar er is geen garantie.
Er speelt altijd heel veel, in principe is het altijd schaken op meer borden tegelijk. Opbouw, lagen, lijnen, taalgebruik en formuleringen, verhoudingen tussen verhaalelementen zoals dialoog, vertellen en beschouwen. Het hangt er ook maar vanaf wat je precies wilt.
Een schrijver zou die flow van schrijven zo hoog kunnen inschalen dat hij de fouten, onzorgvuldigheden, kronkeligheden en andere scheefheden die dat met zich meebrengt accepteert of zelfs een meerwaarde geeft. Dat kan, dat kan ook in een beeld passen, dat kloppend maken maar in het algemeen wil ik het anders.
Ik kies eerder voor het schaven en boetseren vanuit verschillende invalshoeken. Wat niet wil zeggen dat een steriele gaafheid het einddoel is, ook dat nou juist weer helemaal niet. Het gaat juist om het ademen van een verhaal, van een tekst, om het leven dat erin zit.

De derde keer

Tags

,

De komende weken moet ik me concentreren op de stageperiode van de eindexamenkandidaten theater en media van het Haarlemcollege. Gelukkig gaat dat aardig lukken, met wat passen en meten en inschikken.
Voor de derde keer gaan we een opvoering van Victory over the sun maken, het stuk uit 1913 van de Russische futurist Chlebnikov, waarvoor Malevich de kostuums heeft gemaakt.
In de stageperiode van twee weken moet het stuk in de steigers komen te staan. Daarna werken we er in een rustiger tempo aan verder.
Waarschijnlijk wordt dit wel de laatste versie. En heel anders dan de twee eerdere edities. Opnieuw is de oorspronkelijke tekst voor een groot deel gehandhaafd maar ik heb twee groepen studenten opgevoerd, de vrolijke en de serieuze studenten. De serieuze studenten declameren met devote gezichten gedichten van Poesjkin, de vrolijke studenten fietsen daar opgewekt doorheen en beginnen met:
‘O, barst uit in lachen, lachers!
O, begin te lachen, lachers!
Wat lachen zij met gelach, wat lachen zij lacherig.
O, lacht toch belachend!
O, lachbuien van lachwekkers, lach van lachende lacheraars!! (…)
Ook een tekst van Chlebnikov, maar niet uit Victory over the sun.
In deze nieuwe versie zitten dus nieuwe teksten, de twee studentengroepen representeren de hoofdtegenstellingen (Poesjkin versus Chlebnikov, de oude tijd tegenover de nieuwe tijd, de oude vormen en tradities tegenover de nieuwe vormen en ideeën).

Najaarsspitsuur

Net terug van een eerste weekend (waarin opgenomen de aanvangsreceptie) Boekenbeurs in Antwerpen. Volgende week nog een keer.
Nu veel mensen gezien en gesproken, uitgeefster, redacteur, medewerkers, andere schrijvers. Mijn nieuwe manuscript, opvolger van Jordi, onder de werktitel Timothy’s komst dat ik al in de zomer heb opgestuurd is op de een of andere manier niet aangekomen. Als ik dat had geweten. Ik dacht aan vakantie en drukte (kreeg ook een automatische melding over afwezigheid vanwege een reis naar Japan) en bleef rustig wachten.
Nu blijkt er een computerprobleem te zijn geweest. Voortaan sneller navragen. Het heeft vertraging opgeleverd maar veel had ik de afgelopen twee maanden toch niet kunnen doen, spitsuur in het najaar.
Voor het eerst voeren we een najaarseditie uit van Kasteeljuweel op het Muiderslot, met als bron de tentoonstelling Hooft, de man, de straat, de prijs. Daar bleek ik goed mee uit de voeten te kunnen, de straat en de prijs verwijzen natuurlijk ook naar het heden, ik kon allerlei verbindingen leggen tussen het nu en het verleden. De afgelopen week heb ik de laatste groepen ontvangen, met even enthousiaste leraren als leerlingen. Dat is heerlijk.
En het Muiderslot in de herfst is zeer aantrekkelijk, zeker als het weer meezit. De afgelopen week ben ik er drie keer heen gefietst, en als ik dan terugreed, in aangename temperaturen en onder een milde zon, gaf me dat af en toe de sensatie van de perfectie. Zo zouden temperaturen (tegen de twintig) en zon (zacht tegen een heldere hemel) altijd moeten zijn, er bestaan natuurlijk omstandigheden die het meest weldadig en het meest geschikt zijn voor de mens en zijn lichaam. En daar, langs het IJsselmeer en tussen het groen door waar in het voorjaar de lammetjes lopen, kreeg de wereld helemaal een zalige glans. En als ik dan aan het eind van de middag in de buurt van Amsterdam kwam terwijl de zon (in deze tijd van het jaar) al duidelijk begon te dalen, voegde zich daar ook nog eens de ervaring van een geruststellende vreedzaamheid bij die de kracht van eeuwigheid leek te hebben.
Voor ik op vrijdagmiddag doorreisde naar Antwerpen, werkte ik nog op het Haarlemcollege aan ensceneringen van gedichten uit Paul van Ostayens Music Hall, met de eindexamenklas theater en media. De sierlijkheid, de beweging, het ritme, de klanken en de alliteratie in die gedichten geven veel mogelijkheden om op zoek te gaan naar nieuwe uitdrukkingsvormen. Een gedicht dat naar de stad en een gedicht dat naar het dorp verwijst zetten we in een scene tegenover elkaar en dat levert een komische clash der culturen op.
Van het loflied op de Singernaaimasjien maken we een aanstekelijk spel van op elkaar reagerende figuren, met vraag, antwoord en herhaling.
En nu, terug in Amsterdam, kan ik met de gedichten van de genomineerden voor de VSB-poëzieprijs 2016 aan de slag om me voor te bereiden op VERS, de activiteiten voor scholieren rond deze prijs.