Beroving in Antwerpen

Tags

, , , , ,

Inmiddels ben ik een week of drie, vier vrijwel continu onderweg, vooral reizen tussen Antwerpen, Gent en Amsterdam, met stops in steden als Rotterdam en Haarlem.
Twee keer heb ik één nacht bij mezelf gelogeerd in Amsterdam  –dat was onder andere nodig vanwege een poëzieactiviteit ronde de Februaristaking op het Pieter Nieuwlandcollege. Daar wilde ik graag aan meewerken en me in verdiepen, ook al werkte ik op dat moment het meest in Gent. Het lukte net om alles wat ik moet en wil doen te combineren. Discipline helpt me nu en is nodig, om te beginnen op tijd regelen en voorbereiden.
Aan het eind levert dat de vrijheid op die ik mezelf beloofd heb, zodat ik kan genieten van alle bezigheden, ontmoetingen, de dynamiek van het reizen en het zijn op verschillende plekken. Veel stress doordat ik telkens tijd tekort kom of doordat ik me afvraag of ik het red, heb ik niet.
Op deze manier kan ik inderdaad genieten van de drukte en de levendigheid, en geen enkele periode duurt eindeloos. Dit is een piek, deze periode is vaak een piek, al jaren.
Net als vorig jaar in deze maanden is het Centraal Station van Antwerpen een soort draaipunt. Door de aanslagen van de afgelopen jaren in Parijs en Brussel waar mensen uit Molenbeek bij betrokken waren lopen er nog steeds zwaarbewapende militairen rond. Net als op andere plekken waar veel mensen samenkomen. De School der Poezie heeft serieus overwogen om de activiteiten in België te staken –te riskant om er medewerkers naar toe te sturen. Stel dat er iets gebeurt, hebben ze gedacht als ik onderweg was, meer dan ikzelf.

Op Antwerpen centraal moet ik altijd overstappen op weg naar Gent of weer terug, of de stad zelf is mijn eindbestemming. En dan neem ik hier in de vroege ochtend weer trams of bussen naar de verschillende scholen waar ik hier werk.
Bij dat overstappen moet ik vaak wachten, drie kwartier meestal, te kort om iets te ondernemen en erg lang voor het gehang op perrons.
Dan zoek ik mijn heil nog wel eens in de ruimte bij de loketten, op de houten bankjes tussen de doorzichtige schuifdeuren en pilaren. Warm genoeg, in ieder geval niet te kil of te koud, veel te zien en toch overzichtelijk. Een geschikte plek om even te zitten, onderweg met twee stuks bagage. Altijd blijf ik wel alert, meestal ook met een arm door een hengsel van mijn rugzak, andere reistas bijvoorbeeld tussen mijn benen. Zoals wanneer ik op weg ben naar Schiphol of vanaf een vliegveld naar een logeeradres.

Tijdens mijn grote, langdurige reizen en ook dichtbij, bijvoorbeeld op de Albert Cuyp kies ik bij de situatie horende veiligheidsmaatregelen, voor pasjes, geld, tickets en ander waardevols. Met een beetje alertheid en verstandig opereren kun je best veilig de wereld door. In Amsterdam ben ik nooit beroofd, tijdens reizen zijn wel pogingen ondernomen, in Rio probeerde iemand ooit een rugzakje van me af te rukken, waardoor een handvat losscheurde. Mijn spullen had ik nog. En in Egypte is ooit geld gepikt dat ik, heel stom, in een appartement had achtergelaten. De dief was nota bene een oppasser, dat werd nog een hele affaire.
Alles bij elkaar heb ik tot nu toe weinig schade geleden door diefstal of beroving.

Afgelopen vrijdagmiddag, 10 februari 2017, ging het op het Centraal Station van Antwerpen wel mis, tijdens zo’n overstapstop van drie kwartier. Daar, op een van de houten bankjes bij de loketten, waar ik me juist heel veilig waande. Daar was overzicht, daar ontspande ik, met mijn reistas voor me en mijn rugzak links naast me. Met even geen arm door een hengsel. Vertrouwde plek, niets aan de hand, daar bij de schuifdeuren. Verslap je als je al drie weken met twee stuks bagage onderweg bent?  Ik heb dat gevoel niet, maar altijd gespannen blijven, spullen aan of op je lijf zelfs op plekken waar dat niet nodig lijkt en die ik erop uitkies, is misschien net iets te veel gevraagd.
Een bekende truc uitgevoerd door twee mannen deed me de das om. De een leidde me aan mijn rechterkant af door me in onduidelijk Frans iets te vragen. Iets over ‘train’ en  ‘Bruxelles’. Ik vroeg wat hij bedoelde. Opnieuw brabbelde hij iets en ineens vertrok hij heel haastig. Ik keek links van me, rugzak weg.
Daarin mijn laptop, paspoort, wat toiletartikelen, wat kleren, pennen, papierhandel. Het allerergste: de oogst van de dag aan gedichten, voor de VERSrevue op dinsdag 21 februari. Heel veel gedichten, van vier klassen maar liefst, ik was op twee scholen geweest en de betreffende klassen hadden op die dag hun gedichten afgemaakt. In één klas had ik twee uur lesgegeven.

Radeloos rende ik door de stationshal, met mijn overgebleven tas. Niemand te zien natuurlijk, tenminste van die mannen, anderen keken onverstoorbaar langs me heen.
‘Hoe kon ik zo stom zijn,’ riep ik een aantal keren, tot er een man op me afkwam die op zijn beurt herhaalde: ‘Je moet jezelf niets verwijten. Je kunt er niets aan doen, het is een valse truc.’ Met hem liep ik naar de politiemannen, hij had gezien hoe de lui ervandoor waren gegaan. Achteraf had ik hem meer willen vragen maar hij moest weg en ik ging met de politiemannen naar hun kantoortje voor de aangifte. Ze namen alles op met een wat afstandelijke routine, ze hadden dit duidelijk al te vaak meegemaakt. Op het randje af bleven ze net vriendelijk genoeg. Wisten zij veel, mijn ellende zat niet in het materiële verlies, bij mij draaide het alleen maar om de verloren gedichten. En ik dacht alleen maar aan de VERSrevue in Gent, hoe moest het met die show zonder deze gedichten?

Na het wegzakken van de eerste radeloosheid telde ik in dat eerste uur al wel mijn zegeningen. Door mijn volle programma en het krappe tijdsschema heb ik in de dagen hiervoor alles wat gereed was direct verwerkt en doorgestuurd. Dat ging om twee klassen voor de betreffende revue, en ik heb ook nog eens ruim geselecteerd, dertien gedichten in totaal die in ieder geval gebruikt kunnen worden. Daarnaast heeft mijn collega Ineke op een derde school met vier klassen gewerkt, ook de oogst daarvandaan blijft vanzelfsprekend intact.
Nog meer geluk: ook van de gedichten uit Amsterdam over de Februaristaking heb ik mijn selectie al gemaakt en voor de betreffende revue aangeleverd. Die gedichten moest ik op maandagmiddag laat haastig meenemen naar Gent, ik moest een trein halen, wilde ik daar nog een beetje op tijd aankomen. Als ik iets minder snel was geweest, waren die ook verloren gegaan. Nergens heb ik de afgelopen week tijd gehad om te kopiëren. Altijd moest ik vlug vlug naar trein of bus, voor de volgende etappe. Goed te doen, maar in die zin was er geen rust. Nu zit ik te denken dat ik leerlingen in het vervolg foto’s van hun gedichten kan laten maken. Dat gebeurt al regelmatig, soms past het binnen de opzet. Voor de zekerheid zou ik dat standaard kunnen invoeren. Maar de afgelopen week was zelfs dat lastig geweest – de leerlingen waren bijna allemaal tot op de laatste seconde bezig met het afmaken of vervolmaken van hun gedichten. Standaard ‘foto’s maken’ moet toch even georganiseerd worden, zeker als je wilt dat iedereen het ook daadwerkelijk doet. Dat kost zeker een aantal minuten, hoe simpel het ook is. En dan nog is het nergens een waterdichte garantie voor –leerlingen raken nogal eens wat kwijt, zelfs digitaal.
Toch allemaal het overwegen waard, daar ga ik mee aan de slag.

Ik zette alles op een rijtje, werd rustiger maar de spijt bleef enorm groot. Temeer daar de resultaten in een aantal klassen zo veelbelovend waren. Met een leraar had ik zelfs al besproken om er iets speciaals mee te doen, met al dat moois dat nooit allemaal in de revue terecht zou kunnen komen. Een gelegenheidsbundeltje, weet ik wat.
Weg alles en ik koester geen illusies, de kans dat we de inhoud van de rugzak met de spullen die voor de rovers nutteloos zijn terug vinden schat ik heel laag in.
Op het moment van de beroving was ik op weg naar mijn moeder, een half uur over de grens. Het was de bedoeling dat ik een etmaal zou overwippen, en dan weer naar Antwerpen zou terugkeren.
Dat ging door, een avond ook met zus en zwager volgde. Zaterdag overdag regelde ik nieuwe toiletartikelen, kocht scheerspullen, kwam tot mezelf. Mijn smartphone redde me, zus en zwager leverden me een oplaadsnoer dat zij over hadden.
Als dit me vier jaar eerder was overkomen, had ik het lastiger gehad. Volgens mij had je toen nog meer verschillende opladers, en als je de jouwe kwijt was, had je een probleem.
Vier jaar geleden stond ook al mijn e-mailverkeer nog niet op mijn telefoon, dat zou ook heel vervelend zijn geweest. Nu kon ik gewoon verder, te meer daar ook alle documenten die ik moest of wilde hebben via mijn telefoon beschikbaar waren. Een verdwenen laptop was nu niet onoverkomelijk, vier jaar geleden zou ik vast ook oplossingen gevonden hebben maar volgens mij met meer gedoe. En ik vermoed ook beperkter van omvang, ik zou me sneller bij onmogelijkheden hebben moeten neerleggen, schat ik in.
Boeiend op zich, die vergelijking, die voortgang van de technologie die zich hier manifesteert.
Weer zegeningen te tellen, ondanks alles.
Mijn paspoort ben ik kwijt maar al mijn pasjes heb ik nog en mijn bewijs van aangifte bij de politie opent genoeg deuren. Ik kan mijn reis voortzetten.

Advertenties

Gedichten als theater

Tags

,

Op 9 januari ben ik weer begonnen en ik heb inmiddels alweer drie dagen in Rotterdam gewerkt, voor VERS. Op een vertrouwde en ook weer een nieuwe school.
En gisteren – op zaterdag- met zeer geïnspireerde leerlingen van een theaterschool voor jongeren in Sneek gewerkt aan het theateraal vormgeven van gedichten van genomineerden voor de VSB poëzieprijs, als een entre’acte in de show van de VERS voorronde daar.
Een experiment, misschien een eenmalig iets, ingegeven door de specifieke situatie daar, met die theateropleiding waarmee contacten bestaan. Dit kan niet overal en die VERSshows moeten niet altijd hetzelfde zijn, behalve de beste, op scholen gemaakte gedichten.
Maar ik hou ervan om van poëzie gedichten te maken, en deze leerlingen gooiden zich er helemaal in. Hopelijk kan het ook binnen VERS vaker, om het stap voor stap te verkennen en te ontwikkelen.
Op het Haarlemcollege heb ik het de laatste jaren ook gedaan, met het werk van Paul van Ostaijen, en elders ook in workshopvorm, vaak zonder presentaties of voorstellingen. Dan staat het spelen met gedichten centraal, ze binnenstebuiten keren voor zover mogelijk in korte tijd, het aan- en uitkleden, het betekenissen zoeken, en het plezier dat gedichten kunnen geven. Het blootleggen dat ze bronnen van onverwachte wendingen kunnen zijn. Allesbehalve statisch.
Aan het eind van de maand ook weer in Barendrecht.

Dwaalsporen als klassieker

Tags

,

Ik blader op deze ontspannen dag de Volkskrant door en stuit opeens op een kleine afbeelding van de omslag van Dwaalsporen, mijn eerste boek.
Direct weet ik dat het om iets positiefs gaat, anders dan wanneer je vlak na het uitkomen van een boek een recensie tegenkomt. Op zich altijd opwindend, en ja, misschien wel liever een slechte recensie dan geen recensie maar toch, een naar stuk hakt er altijd in. In heftige zin meestal niet zo lang, maar als je eraan terug denkt kun je er weer even akelig van worden. Wat er ook tegenover staat. Dat moet je dan weer even tot je door laten dringen, en ja, tegenstrijdige kritieken kunnen verwijzen naar een kracht in het werk. Ook dat moet je dan weer even bedenken.
Aandacht voor een boek dat al langer bestaat, is gunstig. Of op zijn minst gunstig uit te leggen.

Bij het uitkomen van Dwaalsporen zei een vriendin van me: ‘Dit boek heeft het in zich om een klassieker te worden.’ Iemand die dat expliciet en vol overtuiging zei.
Daar moest ik weer aan denken. Voor het eerst las ik in een grote kwaliteitskrant (mijn krant) dat een boek van mij gekoppeld werd aan het woord klassieker. Vlak voor het einde van het jaar, mooi besluit.
Op de laatste of voorlaatste dag van het jaar kiest de Volkskrant altijd van een aantal kunstdisciplines de drie grootste beloftes. De nummer één wordt dan paginagroot geportretteerd aan de hand van een stuk of zes voor hem of haar veelbetekenende of bepalende, invloedrijke werken. Die worden allemaal apart behandeld, in los van elkaar staande kaders, met zoals gezegd een afbeelding van de omslag erbij.
Voor literatuur is dit jaar Roos van Rijswijk de grote belofte. Zij schetst zichzelf onder andere via Simon Carmiggelt, eeuwenoude Arabische sprookjes, Gerbrand Bakker, de bloemlezing Domweg gelukkig in de Dapperstraat en Dwaalsporen.
In de aanhef staat dat zij Carmiggelt en wat onverwachte klassiekers naar boven haalt. Ze mogen van mij Dwaalsporen een onverwachte klassieker noemen. Je moet ergens beginnen.
Ik beweer altijd dat ik liever een blijver heb met een bescheiden verkoop dan een kortstondige hype. Liever word ik door de tijd heen gesignaleerd door mensen die zelf stappen zetten en wat te zeggen hebben dan dat ik een bestseller te pakken heb die aanslaat vanwege een modieus gegeven en daarna voorgoed wegzinkt.
Kort in een mode passen of iets maken dat het lekker doet in een zekere periode is niet waar ik op uit ben.

Een boek als Dwaalsporen mag best af en toe zacht op de achtergrond pruttelen maar moet soms weer opflakkeren en nooit helemaal wegzinken. Dáár ben ik op uit.
Ik zie Dwaalsporen als een volwaardige roman met een speciaal oog gericht op jonge mensen, zoals al mijn boeken, dat is ook het serieus nemen van jongeren. De eerste roman voor iedereen vanaf dertien, veertien jaar over een jongen die zich een meisje voelt in een jongenslichaam. Wat Roos van Rijswijk onder andere heeft gesignaleerd: dat ik niet in de tijd wilde blijven hangen waarin het boek geschreven is.
Ook iets wat ik telkens nastreef in mijn boeken. Altijd bezig op het kruispunt van tijdloosheid en tegenwoordigheid.

Van Sneek tot Rotterdam

Tags

,

Tot vlak voor kerstmis doorgewerkt, 25 december valt op een zondag, ik vind dat prettig en gunstig. Het betekent wel dat we in januari later beginnen. Dat kan in het voorjaar wat krapte in de tijd veroorzaken in een vol programma.
De afgelopen week is VERS pas begonnen, gedichten maken met middelbare scholieren met als inspiratie de genomineerden voor de VSB-poëzieprijs. In Sneek op maandag en in Rotterdam op donderdag, direct een weekje van zoek de verschillen. Die we trouwens niet moeten overdrijven. Overal praten ze dit jaar over Trump, zoals vorig jaar over de vluchtelingen, Pfeijffer sloot daar toen goed op aan met zijn Idylle nummer 18. En nu geldt dat voor Nachoem Wijnberg die in zijn dikke bundel Van groot belang op een fundamentele, wat ontregelende manier de stand van de democratie doorneemt. De dichterlijkheid zit hem soms in een verrassende ondichterlijkheid. Je kunt denken dat het proza wordt, maar dat wordt het natuurlijk nooit. Zijn gedachtesprongen zijn even simpel als onnavolgbaar.
In ieder geval ben ik blij met een dichter die dit op het eerste gezicht prozaïsche onderwerp aanpakt. Het past bij deze tijden van populisme, ontevredenheid, laksheid, onverschilligheid, terugtrekken in de eigen, beperkte wereld, angsten voor het vreemde, Trumpisme.
Een jongen in Sneek over de vers gekozen president: ‘Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voordat hij met een afzettingsprocedure te maken krijgt.’
Ze zijn ermee bezig en ze denken erover na, daar begint mijn optimisme.
Ik ben benieuwd hoe de lessen na de vakantie zullen verlopen.

*

Nog een opsteker aan het eind van dit kalenderjaar van de kant van een leraar in Amsterdam Zuid Oost over mijn aanpak.
‘Bij jou gaat het met gevoel, vanuit je hart,’ zei hij. Anderen vindt hij soms wat zakelijker, van bam, bam, bam. Met tempo heeft dat niet te maken, dat bedoelt hij niet, zei hij.
Het grappige is dat ik het zelf niet snel zo zou benoemen, maar ik geef me altijd wel volledig, met betrokkenheid een zekere geladenheid, en de rede zal eerder de emotie in toom houden dan andersom.
Ik denk eigenlijk dat hij wel gelijk heeft, met dien verstande dat de rede nooit uitgeschakeld is.

Week van afrondingen

Tags

, , , ,

Week van de afrondingen. Afgelopen dinsdag 13 december hebben we voor de tweede keer een najaarsfinale van Kasteeljuweel op het Muiderslot gehouden.
De finale met één school en elf klassen. De week dat ik daar full time mee bezig ben geweest, ligt al ruim achter me. Nog één keer een dag in de slag met gedichten mede geïnspireerd op vrolijke ironie en speelse taalgevoeligheid, vanwege de tentoonstelling Van Muiderslot tot Bommelstein.

’s Middags op de heenweg raakten we met een kleine delegatie in een haast Bommeliaanse situatie verzeild. Door alle weg- en waterbouwwerken rond Muiden bleek het P + R terrein waar de bussen vanaf het Amstelstation altijd stopten zomaar ineens een paar kilometer of daaromtrent verplaatst te zijn, verder van het stadje af.  Je kunt daar nu wel overstappen op een bus naar Muiden maar dat kan maar één keer per uur. Het Muiderslot is nu vanuit Amsterdam per openbaar vervoer minder makkelijk te bereiken. Terwijl het kasteel tegenwoordig nota bene Amsterdam Castle wordt genoemd. Achteruitgang in de moderne tijd. Niemand had ons gewaarschuwd en zelf had ik het nog niet gemerkt want in het najaar, in oktober, ben ik elke dag gaan fietsen. Daar stonden we ineens, op een parkeerterrein te midden van een wirwar van pas aangelegde snelwegen. Vooruitgang in de moderne tijd.

Met Jos die de finale zou presenteren ben ik gaan lopen, het duurde ruim een kwartier voor we bij het vorige P + R terrein aankwamen. Voor mij als loper wel te doen, toch moet er voortaan aardig wat gebeuren voordat ik niet met de fiets ga. De route is saai, langs een drukke weg. Ik hoor Bommel al mopperen: ‘Zomaar ineens een hele parkeerplaats verplaatst. Mijn kasteel moeilijker te bereiken. Het is toch een schande! Wie beslist zoiets? Ik ben nergens in gekend. Niemand zegt mij ooit wat. En juist nu ik mijn kasteel op wil stuwen in de toeristische vaart der volken.’

In een van de eerste teksten rond 1940 komt dat al voor als jonge vriend Tom Poes en heer Ollie op het slot stuiten dat Bommelstein zal worden. Tom Poes zegt dan: ‘Is dat niet iets voor U, heer Bommel?’ En dan fantaseren ze door over toeristische bestemmingen. Dan al.

*

Dit jaar maken we toch weer een voorstelling van Victory over the sun, de opera van Russische futuristen uit 1913, met de eindexamenklas theater en media op het Haarlemcollege.

Een langer samenwerkingsverband met het Stedelijk Museum rond dit stuk ligt in het verschiet en dat is erg aanlokkelijk.

Het wordt wel elk jaar een andere versie, met impulsen van buitenaf, vanuit andere cultuurhoeken en –monumenten. Dit jaar was het de bedoeling om met de Divina Comedia aan de slag te gaan. Aan de hand daarvan heb ik een paar teksten geschreven die nu in deze nieuwe versie van VOTS terecht zijn gekomen. Dat kon vrij soepel, eerder al had ik serieuze studenten (Poesjkin-aanhangers, meer traditioneel) en vrolijke studenten (aanhangers van de futurist Chlebnikov, schrijver van Victory over the sun) opgevoerd. Daar kan ik heel veel mee.
In deze aflevering zijn het vooral leergierige, nieuwsgierige studenten die op zoek zijn naar het algoede, het schone, het ware. Gesprekken tussen hen, soms ook in een fantasietaal, gebaseerd op de Divina Comedia, waren makkelijk in te passen. Op zoek naar een nieuwe wereld, een wereld misschien vooral van de grond af opnieuw opbouwen, ook in taal. Altijd liggen er tussen bijzondere en grootse werken parallellen voor het oprapen.
Met de Divina Comedia blijven we bezig, de komende tijd –jaren misschien.
Een andere bron die we er nu bij hebben gehaald is Theo van Doesburg. Niet bepaald beroemd geworden als schrijver, maar hij schreef wel in dezelfde tijd als Chlebnikov met Victory over the sun kwam, en tussen deze twee zijn de overeenkomsten nog sterker.

Waar Chlebnikov in VOTS de nieuwlichters opvoerde, tegen de zon, Poesjkin en de tsaar, komt van Doesburg met een tekst waarin hij mensen op zijn manier de dilemma’s van de moderne tijd laat verwoorden. Ook opmerkelijk zijn de parallellen met de huidige tijd, van Doesburg kaart een technologische ontwikkeling aan, en je hoeft  nieuwigheden van toen maar te vervangen door nieuwigheden van nu.

We zijn aardig op streek, na een fulltime stageperiode van twee weken in november voor de leerlingen. Nu, 16 december, is de laatste werkdag voor de kerstvakantie, en daarna gaan we op weg naar een voorstelling in het Auditorium van het Stedelijk Museum. Zelf zal ik er vooral in maart en april weer mee aan de slag kunnen.

Een dag exemplarisch voor een periode

Voorbeeld van een veelzijdige, inspirerende dag in deze periode, aan het eind van het jaar.
’s Ochtends gedichten maken met leerlingen in de Bijlmer. In de middag theaterregie met leerlingen van de theater- en media afdeling van het Haarlemcollege. En aan het eind van de dag nog werken voor een particulier die ik adviseer voor een clubavond rond gedichten. Hij legt me teksten voor en ik redigeer ze, vul soms aan of zoek een geschikte en passende vorm, tegen de rijmelarij in. Best grappig, ik krijg een kijkje in de cultuur van welgestelde heren. Welgesteld en in zijn geval zeker ook welwillend en open. De overgave waarmee hij nu aan het dichten is, past hij ongetwijfeld ook toe in zijn eigenlijke werk.

Met leerlingen in de Bijlmer rijm ik niet, ik laat bijna nooit rijmen op speciale gevallen en gelegenheden na, maar deze particuliere opdrachtgever wil wel rijmen. Hij ontkomt er ook echt niet aan maar wel op enig niveau als het kan. Ik heb wat aan mijn ervaringen met Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer vorig jaar, die teruggreep naar Alexandrijnen (uit de twaalfde eeuw).
Met die bundel heeft hij de VSB-poëzieprijs gewonnen en ik heb me er inmiddels maanden geleden met middelbare scholieren op gestort. Toch een kunst om in deze tijd gedichten met veel zeggingskracht te maken in zo’n oude vorm. Op een manier dat ze toch weer fris en nieuw overkomen, en een weerspiegeling zijn van een recalcitrante, zelfs eigentijdse geest.
Het materiaal dat mijn opdrachtgever aanleverde knapte enorm op van die specifieke vorm van de alexandrijn, precies de jas die goed paste en daar was ik vast niet opgekomen zonder Idyllen van Pfeijffer.

Een welbestede dag, exemplarisch voor deze laatste weken van het jaar. Ik kon me op verschillende manieren totaal uitleven.

En wat goed is, komt altijd weer terug.

Tweede najaar Kasteeljuweel op het Muiderslot

Tags

, , ,

Niet eerder deed een school met meer dan vijf klassen mee aan Kasteeljuweel op het Muiderslot. De afgelopen maand deed het Comeniuscollege uit Bussum dat wel, alle tweede klassen namen deel, dat waren er maar liefst elf. In een klap zat de najaarseditie vol.
Als we uit elke klas de drie beste selecteren zitten we op 33 gedichten, en dat vinden we inmiddels een geschikt aantal voor de finale. Anders wordt het programma te lang. Naast die 33 gedichten kiezen we wel nog 11 reserves, met het oog op eventuele afvallers.
Niet dat die afvallers per se minder hoeven te zijn, ik vind de afwegingen altijd lastig. Zo kan een sterk gedicht wel een zwakke regel herbergen en een iets minder gedicht gelijkmatiger zijn -dan wordt het al wikken en wegen.
Ik blijf me verbazen over de wijsheid en humor waar de tweedeklassers zich ook deze keer weer van hebben bediend. Net als in het voorjaar vormde de tentoonstelling Van Bommelstein tot Muiderslot de inspiratiebron.
Als voorbeeld de gedichten van drie Berenden in een klas. Niet per se de allerbeste maar wel tekenen van die wijsheid en humor, op hun manier.
De zonneschijn heet een gedicht: het kamertje/ het kamertje van de denker/ de denker, de schrijver/ de schrijver van ’t vrolijk gewas/ ’t vrolijk gewas ruist in de zachte wind/ de zachte wind uit een droom/ een droom van de denker/ een denker in de zon/ de zon schijnt op ’t gewas/ schrijft de denker.
Het ritme, het doorgeven van een woord uit de ene regel naar de volgende regel, de lichtheid van het schrijven, hoe natuur en droom en denken en schrijven bij elkaar worden gebracht, het ronde van het geheel.
Dit gedicht zal niet winnen maar ik vind het gaaf. Geweldig dat deze Berend dat op een middag op het Muiderslot heeft gemaakt.
Tweede Berend gaf zijn gedicht de titel: Tijd speelt geen rol. Het gaat zo: ik wil mijn eigen kasteel/ niet meer en niet minder/ eentje voor mij alleen/ ik maak geen tijd meer voor anderen./ Een leven waar tijd er niet toe doet/ een leven zonder al te veel spoed/ een koningin mag er ook wel blij/ alleen voor mij en niemand anders/ geen zorgen , geen gedachten/ een leven met alleen zorgen over morgen/ een leven waar tijd geen rol speelt.
Hij had geschreven blij waar je bij zou verwachten, dat hebben we laten staan. Het geeft verwarring maar het past wel, net even wat gekker dan zomaar een woordspel. In alle simpelheid geeft deze Berend vorm aan zorgeloosheid, vorm aan fantasie en gedachten over de tijd. Speels en humorvol. Zeker ook geen winnaar maar juist ook dit soort gedichten sprankelen voor mij. Zo doen dertienjarigen dat, bovendien serieus, helder opgeschreven, zonder fouten.
Derde Berend liet zich inspireren door een plantje in de tuin. Op die mogelijkheid wijzen wij altijd. Hij koos voor De wilde afrikaan: elke bloem is anders/ een ding is hetzelfde/ ze zijn grauw in de herfst/ en in de lente bloeien ze/ behalve de wilde afrikaan/ het is een soort brutaliteit/ hij is de puber van moeder natuur/ hij doet wat hij wil/ hij is een wilde/ moeder natuur, die zoveel weet/ kan wilde afrikaan niet temmen/ deze dag zou zonnig moeten zijn/ precies een dag die je niet zou verwachten/ net als wilde afrikaan.
Pubers zijn vaak met puber zijn bezig. Soms verwerken ze het. Dit vind ik geestig (het is een soort brutaliteit/ hij is de puber van moeder natuur). Ook weer zo’n vrolijke uitwerking van een gedachte, een idee origineel verwerkt, weer de speelsheid, weer de humor.
Ook deze Berend zal niet winnen, maar op winstkansen wilde ik hier niet de nadruk leggen. Eerder op de relativiteit daarvan.
Ik ben ervan overtuigd dat dit laatste gedicht zonder bijbedoelingen is geschreven maar in deze tijden waarin Zwarte Piet onder druk staat en aanduidingen als negerzoen hun beste tijd gehad hebben kunnen mensen er problemen mee hebben. Ik vermoed dat de naam ‘de wilde afrikaan’ ook geen lang leven meer beschoren zal zijn.
Het blijft lastig; wat doen we met een afbeelding op de Gouden Koets die naar de slaventijd verwijst? Moet elk beeld van Piet Hein neergehaald worden?
Wanneer wordt een nieuwe kijk op de geschiedenis amputatie van de geschiedenis?
In ons werk vindt de actualiteit net zo makkelijk een plek als de geschiedenis. En regelmatig raken ze elkaar.
Dat vind ik in ieder geval mooi.
*
In zes dagen ontvingen we de elf klassen van het Comeniuscollege op het Muiderslot, heerlijk compact en efficient in de tijd. Twee groepen op een dag, dat maakte een week vol, en dan op een maandag de laatste nog. Ik kon me er even helemaal aan overgeven en hoefde niet al te veel af te zeggen of te laten schieten.
Het weer was goed genoeg om elke dag naar Muiden te fietsen en dat deed ik ook. Altijd zorg ik dat mijn fiets in goede conditie is, ik kan me geen pech veroorloven. Maar deze keer zat er een lichte ratel in de kettingkast. En een band liep langzaam leeg -zo langzaam dat ik me er geen zorgen over maakte. Na drie dagen begon zelfs de andere band moeilijk te doen. Maar ook die hield na oppompen stand, in het weekend leek er geen probleem. Tijd voor een goede opknapbeurt had ik niet en ik wilde te graag fietsen. Op de laatste maandag ging het op de heenweg opnieuw goed.
’s Middags voelde ik tijdens de terugreis een band toch echt langzaam slapper worden. Ik wist Amsterdam te bereiken, en toen werd het spannend. Net op tijd haalde ik mijn huis, zonder te hoeven afstappen. Maar ik had echt niet nog honderd meter moeten afleggen.
Ik geloof nergens in, ik kan amper geloven dat het echt zo ging, die allerlaatste dag, die maandag. Het lot getart, het moest zo zijn, blijkbaar.

Een lezing, een workshop, speeddaten. En schaamte.

Tags

, , , , ,

Gisteren Arnon Grunberg in een tweegesprek met Charlotte van den Broeck, Vlaamse dicheres, voorgelezen bij de opening van de Frankfurter Buchmesse, over schaamte: ‘Schrijven is de overwinning op  de schaamte.’ Later komt hij erop terug: ‘Wanneer heb je je voor het laatst geschaamd? Schaamte is ook de denkbeeldige blik van de ander.’
Zeg dat wel.
Ik hoefde niet ver terug in de tijd. Een dag maar, naar dinsdag op het Theresialyceum in Tilburg, naar de schrijversdag met brugklassers daar.
Een veelzijdige dag, met het geven van een lezing, ook van een workshop, en een uur literair speeddaten. In de ochtend werden de winnaars bekendgemaakt van een schrijfwedstrijd, in een zaal met tweehonderd scholieren, negen schrijvers onder wie ik zelf, veel leraren, veel leraren Nederlands ook.
Een paar maanden geleden hadden wij schrijvers een verhaalbegin moeten inleveren dat leerlingen moesten afmaken. Vier prijswinnende verhalen (in totaal tegen de vijfhonderd woorden, schat ik) werden voorgelezen, waaronder dat van een meisje dat op een verhaalbegin van mij was doorgegaan.
Ik werd uitgenodigd om mijn begin te lezen, waarna het meisje het van me overnam. Aantrekkelijke aanpak, heerlijke start van deze dag. Al lezend stuitte ik op een zin waarvan ik dacht: Hier klopt iets niet, nog voor ik hem had uitgesproken. Vreemd genoeg greep ik niet in, er sloop twijfel in mijn hoofd, allemaal tienden van seconden, en ik las toch: (….) jongens twee jaar ouder dan mij.’
Terwijl ik verder las dacht ik er nog aan me te verbeteren, dat deed ik ook niet, ik wou weg van de fout, er geen aandacht aan geven, geen zout in de wond, niet wrijven in de vlek, noem maar op. En nog steeds een licht trillende twijfel: word ik niet onzeker door de situatie, voor al deze mensen?
Weer tussen de andere schrijvers voor in de zaal wist ik het wel zeker: foutje. Een klein woord alleen, maar ik ervoer het als een gigantische fout. Tegen mijn buurvrouwen maakte ik er een opmerking over en ze wisten allebei waar ik het over had, het was ze niet ontgaan. Geen ontkomen aan, helaas.
Na de prijsuitreiking gaf ik met veel plezier de lezing en de workshop, in prettige groepen. In mijn achterhoofd sudderde de fout zacht door, gelukkig zonder concentratieverlies. Ook in de pauze kon ik de ergernis over mezelf wegdrukken, de dag hoefde niet verpest te worden.
Losjes maakte ik zowel in de lezing als in de workshop wel een opmerking over mijn fout, de leerlingen hadden niets gemerkt, in tegenstelling tot de aanwezige leraren.
Alles bij elkaar mag ik er niet te makkelijk vanaf komen. Het moet me minstens vier dagen dwars blijven zitten.  Ik vind het een heel irritante fout. Het imago dat ik bij mezelf heb is aangetast. Mensen zitten met zelfbeelden, onderdeel bij mij is taalbeheersing, in de brede zin van het woord. En ik wil me kunnen blijven ergeren aan anderen. Daarom moet ik me nu extra ergeren aan mezelf.
Natuurlijk maak ik vaker fouten. Eerlijk is eerlijk, de schaamte hangt samen met de situatie: hier de school, de leraren, de schrijvers. Het is waar wat Grunberg zegt: Schaamte is ook de denkbeeldige blik van de ander. Schrijven is vooral het beteugelen van de schaamte. Ik wil ook altijd de fout benoemen tegenover de ander; dat geeft de eerste, niet onbelangrijke loutering.
Zal ik me er ooit op kunnen betrappen dat ik zeg: zich beseffen? Bijna iedereen zegt het.
Dat zou me ook dwars zitten, maar de fout van dinsdag vond ik heel ergerniswekkend.
Maak je niet druk joh, het is maar taal.
Nee, het is taal!!!
Fouten die ik de afgelopen uren heb gesignaleerd: iemand is tot staat om te (…), daar moeten we op inboeten op (…), ze voelen zich betrokken tot Nederland (…). Als je het gaat bijhouden, blijf je bezig. Verhaspelen van spreekwoorden, verkeerd gebruik van voorzetsels, over hun en hen hebben we het maar niet.
Taal. Nogmaals, laat ik mijn positie om me te kunnen ergeren niet verspelen. Bij de bovenstaande voorbeelden kan ik mild denken: spreektaal. Toch hoor ik ook gemakzucht en onverschilligheid. Ik geniet ervan als mensen de meester zijn van hun taal.
Taalbeheersing. Ontzettend veel mensen zeggen: ‘Een voorbeeld is bijvoorbeeld… (…).’ Niemand zegt er ooit iets van. Te onbenullig. Wel opmerkelijk. Zelf zeg ik dat vast ook wel eens. Erg snel gedaan.
*
Dan nog even naar de lezing en de workshop van dinsdag, nu ik toch bezig ben.
Ik heb  (weer eens) verwoord waar ik op uit ben:  mij verdiepen in mensen. Wat willen ze, wat drijft hen, wat ondernemen ze, wat gaat er om in hun hoofden? En deze keer noemde ik als belangrijke thema’s in mijn werk, naast familieverhoudingen, vriendschappen, en (beginnende) seksualiteit: eigenheid (van mensen), hun oorspronkelijkheid. Hun mogelijkheden in deze wereld, de tegenkrachten waar ze mee te maken krijgen, hun antwoorden. Hun talenten, en elk talent, of mensen er nu tegenop kijken of niet, is de moeite waard, zeg ik er dan bij. Iedereen moet zichzelf leren kennen, met vallen en opstaan.
In de lezing vroeg ik naar hun eigen talenten en er kwam genoeg reactie, ze begrepen me ook. Iemand zei: films kijken. Een ander: lachen. En dan bespreken we wat je daarmee in het leven kunt, naar aanleiding van het boek ‘Jordi’.
En ik behandelde ‘realisme en fantasy’, hun voorkeuren ook, de plek van mijn boeken daarin, en ‘Zijn boeken te bestempelen als jongensboeken en als meisjesboeken?’ Of is dat onzin?
In de praktijk in ieder geval niet, blijkt.
En ik had nog deze twee fragmenten uit recensies over ‘Jordi’ willen bespreken.

Dit boek bevat elementen van een speurdersavontuur, maar gaat vooral in op de normale gevoelens van een dertienjarige. De leefwereld van Jordi is zeer bijzonder, maar in zijn manier van denken zullen de meeste jongeren zich wel herkennen.

Een heel apart boek. Nu eens geen boek over leuke meisjes en sms’jes en avondjes stappen maar een mooi verhaal over een rustige maar wel bijzondere, soms eigenwijze   jongen van dertien. Jordi gaat lekker zijn eigen gang.

Fragmenten die wel iets zeggen over mijn werk.
Niet aan toe gekomen, in die vijftig minuten.

De workshop duurde bijna anderhalf uur. De inleiding was hetzelfde als  bij de lezing, maar daarna heb ik allerlei schrijfopdrachten gegeven. Zoals:
-Over welk onderwerp zou je graag willen lezen? Kun je je interesse uitleggen? Heeft het te maken met je eigen leven? Of is het juist fantasy?
-Omschrijf een persoon die je graag als hoofdpersonage in een boek zou zien. Jongen? Meisje? Leeftijd? Situatie? Eigenschappen?
-Wat is jouw lievelingsboek? Wat maakt jouw lievelingsboek tot dat lievelingsboek?
En een opdracht aan de hand van de eerste zin uit drie van mijn boeken:

uit Het jaar van de veranderingen
Geen dag wilde Astrid meer verspillen aan chagrijn.

uit Het jaar van de onthullingen
Ooit droomde Astrid ervan dat haar vader haar zou komen ophalen, om haar voorgoed mee te nemen.

uit Jordi
Mijn oom vraagt: ‘Wat wil je worden, Jordi?’

Kies een van de zinnen en schrijf een kort vervolg.
Alles mag. Jij bepaalt en jij mag uit die eerste zin halen wat jij wilt. Elke uitleg van de zin is goed.
Sommigen hielden het kort en scherp, anderen hadden al snel een heel fragment.
Aan het eind wou ik stellingen bespreken als: hoe herkenbaarder een verhaal, hoe beter; een boek met een slechte afloop is verschrikkelijk; realistische boeken moeten spannend zijn.

Amper aan toegekomen. Want eerst wou ik ze nog laten schrijven over: Lezen is belangrijk. Daar mochten ze ook tegenin gaan. Dat gebeurde niet veel en als het gebeurde, toch vooral als de advocaat van de duivel.
Gelukkig.

Heerlijke dag. Een jongen had ‘Neil en ik’ gelezen. Expressief iemand. Ik hoefde er niet aan te twijfelen dat hij het boek hoog had zitten. Hij zuchtte ervan, de zucht van ‘intensiteit, geen woorden’. Dat ging verder dan ‘wel een goed boek’.
Uit de brugklas. Slim.
Een meisje had in de vakantie ‘Jane Eyre’ gelezen.
Hoopgevend.

 

Read my world 2016

Een zaterdagavond dwalend van zaal naar zaal in de Tolhuistuin, tussen Poolse  en Oekraiense  schrijvers en dichters, gisteren. Aangenaam in dubbele betekenis: in sommige zalen kijk je uit op een nachtelijk IJ. Polen en Oekraine zijn de landen die dit jaar  centraal staan op het Read my world-festival. Op twee scholen heb ik een paar van deze schrijvers geintroduceerd en hebben leerlingen zich door hen laten inspireren, aan de hand van schrijfopdrachten. De teksten die daar zijn uitgekomen zijn op vrijdag in twee shows op het festival gepresenteerd.
Gistermiddag was ik trots op een meisje van Hervormd lyceum west dat zich als enige zestienjarige tussen oudere studenten perfect staande hield in een programmaonderdeel waarin een Poolse schrijver en een Oekraiense schrijfster werden geinterviewd. Helemaal een meisje van deze wereld, met hoofddoek en al. In de klas was ze me opgevallen vanwege haar perfecte Engels. Door niets liet ze zich van haar stuk brengen, ook niet door de vragen van de Poolse schrijver, die van de interviewers graag geinterviewden maakte, alsof zij zelf volleerde schrijvers waren.
Deze zaterdagavond volgde ik een gedichtenmarathon, en programma’s over wortels van schrijverschap en over de inspiratie die ecologische thema’s leveren. Iedereen hier was geengageerd en betrokken bij de wereld. In ieder geval was dat de altijd voelbare sfeer. Ruimdenkend, en simpelweg nadenkend, niet dogmatisch in het algemeen. Geestig vaak ook.
Zoals Maxim Februari bij het programma dat ik misschien wel het interessantst vond: over De hang naar dictatoren.
Maxim Februari sprak over leiderschap, ook bij ons.  Vrij geciteerd: we leven in een puberale cultuur. Ouderen kleden zich als pubers. We kijken naar de jeugd, hoe doen zij het? Zelf draagt hij een spijkerbroek, een grijs overhemd en een eenvoudig colbertje.
Wat zou hij vinden van de Canadese premier Justin Trudeau? De sexy leider.
Bij ons zie ik niet zozeer puberale, als wel studentikoze leiders. Balkenende en Rutte. Licht ballerige leiders.
Puberaal, studentikoos, in ieder is alles beter dan Poetin, Erdogan en vergelijkbare types. Waarom kiezen ze in de Filipijnen een man die doodseskaders op drugsgebruikers afstuurt?
Trump, Wilders, wat staat ons te wachten? Dan liever die studentikoze, joviale types.
Rutte wordt soms als iemand zonder charisma bestempeld maar wel als iemand met ‘uitstraling’. Subtiel verschil. Mensen als Trump, Fortuyn en Wilders zouden wel charisma hebben, waardoor ze door sommigen als messiassen worden gezien die niets fout kunnen doen. Of ze nu leugens vertellen of niet, overdrijven, de waarheid naar hun hand zetten of walgelijke uitspraken doen over vrouwen, vluchtelingen, migranten of weet ik wie.
Het zet ‘charisma’  in een bedenkelijk licht.
Intussen voel ik met een vooruitwerkende kracht al de heimwee die ik over een paar maanden zal hebben naar Obama.

Nieuwe rages

Tags

, , ,

Altijd valt me in Madrid een nieuwe rage op die me eerder was ontgaan. Soms zie ik die dan later elders terug. Heeft het met mijn manier van kijken hier te maken?
Rages kunnen zich natuurlijk ook regionaal beperken.
Ik ben benieuwd hoe het zit met die van dit jaar: neuspiercings.
De piercings waren er de laatste tijd een beetje uit. Het draait allemaal om tatoeages, al jaren inmiddels, hier ook. In Madrid vielen me voor het eerst nieuwe patronen op, hele kunstwerken met veel kleuren. En teksten, sierlijk vormgegeven teksten.
Misschien komt het doordat iedereen hier vanwege de hitte relatief schaars gekleed gaat en ik bijna dagelijks in het zwembad kom.
Oorringen en -knopjes waren ook op de terugtocht, haast verbannen zelfs maar aan een lichte revival begonnen, de knopjes tenminste.  Maar die neuspiercings zijn de grote winnaars. Een stevig stalen boogje door het neusschot heen, dat is verreweg  de meest voorkomende. Heel opvallend.
Wat zijn we toch onbeschaamd kuddedieren. Lief eigenlijk.

Mijn favoriete zwembad in Lago moest het maar liefst drie jaar zonder het hoofdbassin doen. Het overgebleven bad was kleiner maar lag wel lekker in het groen.
Nu is dat hoofdbassin weer toegankelijk,  de belangrijkste verandering is dat de tribunes zijn weggehaald. In plaats daarvan zijn nu grasvelden aangelegd.
Van kunstgras.
Een concessie vanwege de exploitatie? Een bezuiniging? Veel minder onderhoud neem ik aan. Het voelt ruw aan mijn benen. Dit in een verder heel natuurlijke omgeving.
Ik vind het niks maar verder is de sfeer als vanouds. Iedereen is er weer, de families, de homo’s,  de vriendengroepen, de mensen alleen, donkere mensen, lichte mensen, gespierde mensen, minder gespierde mensen, mensen met heel verschillende achtergronden.

Op  de gevel van CentroCentro, op Cibeles nummer 1, nu: Welkom vluchtelingen.
Binnen een tentoonstelling met foto’s van het kampement op de Puerta del Sol van de 15 mei-beweging, tijdens de protesten van 2011 die ik heb meegemaakt. Die zomer dat de Puerta del Sol een aantal dagen was afgesloten.
Inmiddels deel van de geschiedenis, verbeeld op een expositie.

Het heden: Spanje probeert uit alle macht een coalitieregering te vormen maar het lukt niet. Ze zijn het niet gewend, maar nu kan het niet anders. In juni zijn al voor de tweede keer in korte tijd verkiezingen gehouden om uit de impasse te komen maar het helpt niet. Naast de twee grote partijen die elkaar sinds de afschaffing van de dictatuur afwisselden zijn twee nieuwe partijen opgekomen, sinds de protesten van 2011, en die laten zich nu niet meer wegdrukken.
Een partij kan geen meerderheidsregering meer vormen. De partijen blijven elkaars voorstellen afwijzen en in  de media begint de roep om ‘verantwoordelijkheid te nemen’ aan te zwellen. Heel grappig om te zien als je uit een coalitieland bij uitstek komt.