Van Sneek tot Rotterdam

Tags

,

Tot vlak voor kerstmis doorgewerkt, 25 december valt op een zondag, ik vind dat prettig en gunstig. Het betekent wel dat we in januari later beginnen. Dat kan in het voorjaar wat krapte in de tijd veroorzaken in een vol programma.
De afgelopen week is VERS pas begonnen, gedichten maken met middelbare scholieren met als inspiratie de genomineerden voor de VSB-poëzieprijs. In Sneek op maandag en in Rotterdam op donderdag, direct een weekje van zoek de verschillen. Die we trouwens niet moeten overdrijven. Overal praten ze dit jaar over Trump, zoals vorig jaar over de vluchtelingen, Pfeijffer sloot daar toen goed op aan met zijn Idylle nummer 18. En nu geldt dat voor Nachoem Wijnberg die in zijn dikke bundel Van groot belang op een fundamentele, wat ontregelende manier de stand van de democratie doorneemt. De dichterlijkheid zit hem soms in een verrassende ondichterlijkheid. Je kunt denken dat het proza wordt, maar dat wordt het natuurlijk nooit. Zijn gedachtesprongen zijn even simpel als onnavolgbaar.
In ieder geval ben ik blij met een dichter die dit op het eerste gezicht prozaïsche onderwerp aanpakt. Het past bij deze tijden van populisme, ontevredenheid, laksheid, onverschilligheid, terugtrekken in de eigen, beperkte wereld, angsten voor het vreemde, Trumpisme.
Een jongen in Sneek over de vers gekozen president: ‘Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voordat hij met een afzettingsprocedure te maken krijgt.’
Ze zijn ermee bezig en ze denken erover na, daar begint mijn optimisme.
Ik ben benieuwd hoe de lessen na de vakantie zullen verlopen.

*

Nog een opsteker aan het eind van dit kalenderjaar van de kant van een leraar in Amsterdam Zuid Oost over mijn aanpak.
‘Bij jou gaat het met gevoel, vanuit je hart,’ zei hij. Anderen vindt hij soms wat zakelijker, van bam, bam, bam. Met tempo heeft dat niet te maken, dat bedoelt hij niet, zei hij.
Het grappige is dat ik het zelf niet snel zo zou benoemen, maar ik geef me altijd wel volledig, met betrokkenheid een zekere geladenheid, en de rede zal eerder de emotie in toom houden dan andersom.
Ik denk eigenlijk dat hij wel gelijk heeft, met dien verstande dat de rede nooit uitgeschakeld is.

Advertenties

Week van afrondingen

Tags

, , , ,

Week van de afrondingen. Afgelopen dinsdag 13 december hebben we voor de tweede keer een najaarsfinale van Kasteeljuweel op het Muiderslot gehouden.
De finale met één school en elf klassen. De week dat ik daar full time mee bezig ben geweest, ligt al ruim achter me. Nog één keer een dag in de slag met gedichten mede geïnspireerd op vrolijke ironie en speelse taalgevoeligheid, vanwege de tentoonstelling Van Muiderslot tot Bommelstein.

’s Middags op de heenweg raakten we met een kleine delegatie in een haast Bommeliaanse situatie verzeild. Door alle weg- en waterbouwwerken rond Muiden bleek het P + R terrein waar de bussen vanaf het Amstelstation altijd stopten zomaar ineens een paar kilometer of daaromtrent verplaatst te zijn, verder van het stadje af.  Je kunt daar nu wel overstappen op een bus naar Muiden maar dat kan maar één keer per uur. Het Muiderslot is nu vanuit Amsterdam per openbaar vervoer minder makkelijk te bereiken. Terwijl het kasteel tegenwoordig nota bene Amsterdam Castle wordt genoemd. Achteruitgang in de moderne tijd. Niemand had ons gewaarschuwd en zelf had ik het nog niet gemerkt want in het najaar, in oktober, ben ik elke dag gaan fietsen. Daar stonden we ineens, op een parkeerterrein te midden van een wirwar van pas aangelegde snelwegen. Vooruitgang in de moderne tijd.

Met Jos die de finale zou presenteren ben ik gaan lopen, het duurde ruim een kwartier voor we bij het vorige P + R terrein aankwamen. Voor mij als loper wel te doen, toch moet er voortaan aardig wat gebeuren voordat ik niet met de fiets ga. De route is saai, langs een drukke weg. Ik hoor Bommel al mopperen: ‘Zomaar ineens een hele parkeerplaats verplaatst. Mijn kasteel moeilijker te bereiken. Het is toch een schande! Wie beslist zoiets? Ik ben nergens in gekend. Niemand zegt mij ooit wat. En juist nu ik mijn kasteel op wil stuwen in de toeristische vaart der volken.’

In een van de eerste teksten rond 1940 komt dat al voor als jonge vriend Tom Poes en heer Ollie op het slot stuiten dat Bommelstein zal worden. Tom Poes zegt dan: ‘Is dat niet iets voor U, heer Bommel?’ En dan fantaseren ze door over toeristische bestemmingen. Dan al.

*

Dit jaar maken we toch weer een voorstelling van Victory over the sun, de opera van Russische futuristen uit 1913, met de eindexamenklas theater en media op het Haarlemcollege.

Een langer samenwerkingsverband met het Stedelijk Museum rond dit stuk ligt in het verschiet en dat is erg aanlokkelijk.

Het wordt wel elk jaar een andere versie, met impulsen van buitenaf, vanuit andere cultuurhoeken en –monumenten. Dit jaar was het de bedoeling om met de Divina Comedia aan de slag te gaan. Aan de hand daarvan heb ik een paar teksten geschreven die nu in deze nieuwe versie van VOTS terecht zijn gekomen. Dat kon vrij soepel, eerder al had ik serieuze studenten (Poesjkin-aanhangers, meer traditioneel) en vrolijke studenten (aanhangers van de futurist Chlebnikov, schrijver van Victory over the sun) opgevoerd. Daar kan ik heel veel mee.
In deze aflevering zijn het vooral leergierige, nieuwsgierige studenten die op zoek zijn naar het algoede, het schone, het ware. Gesprekken tussen hen, soms ook in een fantasietaal, gebaseerd op de Divina Comedia, waren makkelijk in te passen. Op zoek naar een nieuwe wereld, een wereld misschien vooral van de grond af opnieuw opbouwen, ook in taal. Altijd liggen er tussen bijzondere en grootse werken parallellen voor het oprapen.
Met de Divina Comedia blijven we bezig, de komende tijd –jaren misschien.
Een andere bron die we er nu bij hebben gehaald is Theo van Doesburg. Niet bepaald beroemd geworden als schrijver, maar hij schreef wel in dezelfde tijd als Chlebnikov met Victory over the sun kwam, en tussen deze twee zijn de overeenkomsten nog sterker.

Waar Chlebnikov in VOTS de nieuwlichters opvoerde, tegen de zon, Poesjkin en de tsaar, komt van Doesburg met een tekst waarin hij mensen op zijn manier de dilemma’s van de moderne tijd laat verwoorden. Ook opmerkelijk zijn de parallellen met de huidige tijd, van Doesburg kaart een technologische ontwikkeling aan, en je hoeft  nieuwigheden van toen maar te vervangen door nieuwigheden van nu.

We zijn aardig op streek, na een fulltime stageperiode van twee weken in november voor de leerlingen. Nu, 16 december, is de laatste werkdag voor de kerstvakantie, en daarna gaan we op weg naar een voorstelling in het Auditorium van het Stedelijk Museum. Zelf zal ik er vooral in maart en april weer mee aan de slag kunnen.

Een dag exemplarisch voor een periode

Voorbeeld van een veelzijdige, inspirerende dag in deze periode, aan het eind van het jaar.
’s Ochtends gedichten maken met leerlingen in de Bijlmer. In de middag theaterregie met leerlingen van de theater- en media afdeling van het Haarlemcollege. En aan het eind van de dag nog werken voor een particulier die ik adviseer voor een clubavond rond gedichten. Hij legt me teksten voor en ik redigeer ze, vul soms aan of zoek een geschikte en passende vorm, tegen de rijmelarij in. Best grappig, ik krijg een kijkje in de cultuur van welgestelde heren. Welgesteld en in zijn geval zeker ook welwillend en open. De overgave waarmee hij nu aan het dichten is, past hij ongetwijfeld ook toe in zijn eigenlijke werk.

Met leerlingen in de Bijlmer rijm ik niet, ik laat bijna nooit rijmen op speciale gevallen en gelegenheden na, maar deze particuliere opdrachtgever wil wel rijmen. Hij ontkomt er ook echt niet aan maar wel op enig niveau als het kan. Ik heb wat aan mijn ervaringen met Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer vorig jaar, die teruggreep naar Alexandrijnen (uit de twaalfde eeuw).
Met die bundel heeft hij de VSB-poëzieprijs gewonnen en ik heb me er inmiddels maanden geleden met middelbare scholieren op gestort. Toch een kunst om in deze tijd gedichten met veel zeggingskracht te maken in zo’n oude vorm. Op een manier dat ze toch weer fris en nieuw overkomen, en een weerspiegeling zijn van een recalcitrante, zelfs eigentijdse geest.
Het materiaal dat mijn opdrachtgever aanleverde knapte enorm op van die specifieke vorm van de alexandrijn, precies de jas die goed paste en daar was ik vast niet opgekomen zonder Idyllen van Pfeijffer.

Een welbestede dag, exemplarisch voor deze laatste weken van het jaar. Ik kon me op verschillende manieren totaal uitleven.

En wat goed is, komt altijd weer terug.

Tweede najaar Kasteeljuweel op het Muiderslot

Tags

, , ,

Niet eerder deed een school met meer dan vijf klassen mee aan Kasteeljuweel op het Muiderslot. De afgelopen maand deed het Comeniuscollege uit Bussum dat wel, alle tweede klassen namen deel, dat waren er maar liefst elf. In een klap zat de najaarseditie vol.
Als we uit elke klas de drie beste selecteren zitten we op 33 gedichten, en dat vinden we inmiddels een geschikt aantal voor de finale. Anders wordt het programma te lang. Naast die 33 gedichten kiezen we wel nog 11 reserves, met het oog op eventuele afvallers.
Niet dat die afvallers per se minder hoeven te zijn, ik vind de afwegingen altijd lastig. Zo kan een sterk gedicht wel een zwakke regel herbergen en een iets minder gedicht gelijkmatiger zijn -dan wordt het al wikken en wegen.
Ik blijf me verbazen over de wijsheid en humor waar de tweedeklassers zich ook deze keer weer van hebben bediend. Net als in het voorjaar vormde de tentoonstelling Van Bommelstein tot Muiderslot de inspiratiebron.
Als voorbeeld de gedichten van drie Berenden in een klas. Niet per se de allerbeste maar wel tekenen van die wijsheid en humor, op hun manier.
De zonneschijn heet een gedicht: het kamertje/ het kamertje van de denker/ de denker, de schrijver/ de schrijver van ’t vrolijk gewas/ ’t vrolijk gewas ruist in de zachte wind/ de zachte wind uit een droom/ een droom van de denker/ een denker in de zon/ de zon schijnt op ’t gewas/ schrijft de denker.
Het ritme, het doorgeven van een woord uit de ene regel naar de volgende regel, de lichtheid van het schrijven, hoe natuur en droom en denken en schrijven bij elkaar worden gebracht, het ronde van het geheel.
Dit gedicht zal niet winnen maar ik vind het gaaf. Geweldig dat deze Berend dat op een middag op het Muiderslot heeft gemaakt.
Tweede Berend gaf zijn gedicht de titel: Tijd speelt geen rol. Het gaat zo: ik wil mijn eigen kasteel/ niet meer en niet minder/ eentje voor mij alleen/ ik maak geen tijd meer voor anderen./ Een leven waar tijd er niet toe doet/ een leven zonder al te veel spoed/ een koningin mag er ook wel blij/ alleen voor mij en niemand anders/ geen zorgen , geen gedachten/ een leven met alleen zorgen over morgen/ een leven waar tijd geen rol speelt.
Hij had geschreven blij waar je bij zou verwachten, dat hebben we laten staan. Het geeft verwarring maar het past wel, net even wat gekker dan zomaar een woordspel. In alle simpelheid geeft deze Berend vorm aan zorgeloosheid, vorm aan fantasie en gedachten over de tijd. Speels en humorvol. Zeker ook geen winnaar maar juist ook dit soort gedichten sprankelen voor mij. Zo doen dertienjarigen dat, bovendien serieus, helder opgeschreven, zonder fouten.
Derde Berend liet zich inspireren door een plantje in de tuin. Op die mogelijkheid wijzen wij altijd. Hij koos voor De wilde afrikaan: elke bloem is anders/ een ding is hetzelfde/ ze zijn grauw in de herfst/ en in de lente bloeien ze/ behalve de wilde afrikaan/ het is een soort brutaliteit/ hij is de puber van moeder natuur/ hij doet wat hij wil/ hij is een wilde/ moeder natuur, die zoveel weet/ kan wilde afrikaan niet temmen/ deze dag zou zonnig moeten zijn/ precies een dag die je niet zou verwachten/ net als wilde afrikaan.
Pubers zijn vaak met puber zijn bezig. Soms verwerken ze het. Dit vind ik geestig (het is een soort brutaliteit/ hij is de puber van moeder natuur). Ook weer zo’n vrolijke uitwerking van een gedachte, een idee origineel verwerkt, weer de speelsheid, weer de humor.
Ook deze Berend zal niet winnen, maar op winstkansen wilde ik hier niet de nadruk leggen. Eerder op de relativiteit daarvan.
Ik ben ervan overtuigd dat dit laatste gedicht zonder bijbedoelingen is geschreven maar in deze tijden waarin Zwarte Piet onder druk staat en aanduidingen als negerzoen hun beste tijd gehad hebben kunnen mensen er problemen mee hebben. Ik vermoed dat de naam ‘de wilde afrikaan’ ook geen lang leven meer beschoren zal zijn.
Het blijft lastig; wat doen we met een afbeelding op de Gouden Koets die naar de slaventijd verwijst? Moet elk beeld van Piet Hein neergehaald worden?
Wanneer wordt een nieuwe kijk op de geschiedenis amputatie van de geschiedenis?
In ons werk vindt de actualiteit net zo makkelijk een plek als de geschiedenis. En regelmatig raken ze elkaar.
Dat vind ik in ieder geval mooi.
*
In zes dagen ontvingen we de elf klassen van het Comeniuscollege op het Muiderslot, heerlijk compact en efficient in de tijd. Twee groepen op een dag, dat maakte een week vol, en dan op een maandag de laatste nog. Ik kon me er even helemaal aan overgeven en hoefde niet al te veel af te zeggen of te laten schieten.
Het weer was goed genoeg om elke dag naar Muiden te fietsen en dat deed ik ook. Altijd zorg ik dat mijn fiets in goede conditie is, ik kan me geen pech veroorloven. Maar deze keer zat er een lichte ratel in de kettingkast. En een band liep langzaam leeg -zo langzaam dat ik me er geen zorgen over maakte. Na drie dagen begon zelfs de andere band moeilijk te doen. Maar ook die hield na oppompen stand, in het weekend leek er geen probleem. Tijd voor een goede opknapbeurt had ik niet en ik wilde te graag fietsen. Op de laatste maandag ging het op de heenweg opnieuw goed.
’s Middags voelde ik tijdens de terugreis een band toch echt langzaam slapper worden. Ik wist Amsterdam te bereiken, en toen werd het spannend. Net op tijd haalde ik mijn huis, zonder te hoeven afstappen. Maar ik had echt niet nog honderd meter moeten afleggen.
Ik geloof nergens in, ik kan amper geloven dat het echt zo ging, die allerlaatste dag, die maandag. Het lot getart, het moest zo zijn, blijkbaar.

Een lezing, een workshop, speeddaten. En schaamte.

Tags

, , , , ,

Gisteren Arnon Grunberg in een tweegesprek met Charlotte van den Broeck, Vlaamse dicheres, voorgelezen bij de opening van de Frankfurter Buchmesse, over schaamte: ‘Schrijven is de overwinning op  de schaamte.’ Later komt hij erop terug: ‘Wanneer heb je je voor het laatst geschaamd? Schaamte is ook de denkbeeldige blik van de ander.’
Zeg dat wel.
Ik hoefde niet ver terug in de tijd. Een dag maar, naar dinsdag op het Theresialyceum in Tilburg, naar de schrijversdag met brugklassers daar.
Een veelzijdige dag, met het geven van een lezing, ook van een workshop, en een uur literair speeddaten. In de ochtend werden de winnaars bekendgemaakt van een schrijfwedstrijd, in een zaal met tweehonderd scholieren, negen schrijvers onder wie ik zelf, veel leraren, veel leraren Nederlands ook.
Een paar maanden geleden hadden wij schrijvers een verhaalbegin moeten inleveren dat leerlingen moesten afmaken. Vier prijswinnende verhalen (in totaal tegen de vijfhonderd woorden, schat ik) werden voorgelezen, waaronder dat van een meisje dat op een verhaalbegin van mij was doorgegaan.
Ik werd uitgenodigd om mijn begin te lezen, waarna het meisje het van me overnam. Aantrekkelijke aanpak, heerlijke start van deze dag. Al lezend stuitte ik op een zin waarvan ik dacht: Hier klopt iets niet, nog voor ik hem had uitgesproken. Vreemd genoeg greep ik niet in, er sloop twijfel in mijn hoofd, allemaal tienden van seconden, en ik las toch: (….) jongens twee jaar ouder dan mij.’
Terwijl ik verder las dacht ik er nog aan me te verbeteren, dat deed ik ook niet, ik wou weg van de fout, er geen aandacht aan geven, geen zout in de wond, niet wrijven in de vlek, noem maar op. En nog steeds een licht trillende twijfel: word ik niet onzeker door de situatie, voor al deze mensen?
Weer tussen de andere schrijvers voor in de zaal wist ik het wel zeker: foutje. Een klein woord alleen, maar ik ervoer het als een gigantische fout. Tegen mijn buurvrouwen maakte ik er een opmerking over en ze wisten allebei waar ik het over had, het was ze niet ontgaan. Geen ontkomen aan, helaas.
Na de prijsuitreiking gaf ik met veel plezier de lezing en de workshop, in prettige groepen. In mijn achterhoofd sudderde de fout zacht door, gelukkig zonder concentratieverlies. Ook in de pauze kon ik de ergernis over mezelf wegdrukken, de dag hoefde niet verpest te worden.
Losjes maakte ik zowel in de lezing als in de workshop wel een opmerking over mijn fout, de leerlingen hadden niets gemerkt, in tegenstelling tot de aanwezige leraren.
Alles bij elkaar mag ik er niet te makkelijk vanaf komen. Het moet me minstens vier dagen dwars blijven zitten.  Ik vind het een heel irritante fout. Het imago dat ik bij mezelf heb is aangetast. Mensen zitten met zelfbeelden, onderdeel bij mij is taalbeheersing, in de brede zin van het woord. En ik wil me kunnen blijven ergeren aan anderen. Daarom moet ik me nu extra ergeren aan mezelf.
Natuurlijk maak ik vaker fouten. Eerlijk is eerlijk, de schaamte hangt samen met de situatie: hier de school, de leraren, de schrijvers. Het is waar wat Grunberg zegt: Schaamte is ook de denkbeeldige blik van de ander. Schrijven is vooral het beteugelen van de schaamte. Ik wil ook altijd de fout benoemen tegenover de ander; dat geeft de eerste, niet onbelangrijke loutering.
Zal ik me er ooit op kunnen betrappen dat ik zeg: zich beseffen? Bijna iedereen zegt het.
Dat zou me ook dwars zitten, maar de fout van dinsdag vond ik heel ergerniswekkend.
Maak je niet druk joh, het is maar taal.
Nee, het is taal!!!
Fouten die ik de afgelopen uren heb gesignaleerd: iemand is tot staat om te (…), daar moeten we op inboeten op (…), ze voelen zich betrokken tot Nederland (…). Als je het gaat bijhouden, blijf je bezig. Verhaspelen van spreekwoorden, verkeerd gebruik van voorzetsels, over hun en hen hebben we het maar niet.
Taal. Nogmaals, laat ik mijn positie om me te kunnen ergeren niet verspelen. Bij de bovenstaande voorbeelden kan ik mild denken: spreektaal. Toch hoor ik ook gemakzucht en onverschilligheid. Ik geniet ervan als mensen de meester zijn van hun taal.
Taalbeheersing. Ontzettend veel mensen zeggen: ‘Een voorbeeld is bijvoorbeeld… (…).’ Niemand zegt er ooit iets van. Te onbenullig. Wel opmerkelijk. Zelf zeg ik dat vast ook wel eens. Erg snel gedaan.
*
Dan nog even naar de lezing en de workshop van dinsdag, nu ik toch bezig ben.
Ik heb  (weer eens) verwoord waar ik op uit ben:  mij verdiepen in mensen. Wat willen ze, wat drijft hen, wat ondernemen ze, wat gaat er om in hun hoofden? En deze keer noemde ik als belangrijke thema’s in mijn werk, naast familieverhoudingen, vriendschappen, en (beginnende) seksualiteit: eigenheid (van mensen), hun oorspronkelijkheid. Hun mogelijkheden in deze wereld, de tegenkrachten waar ze mee te maken krijgen, hun antwoorden. Hun talenten, en elk talent, of mensen er nu tegenop kijken of niet, is de moeite waard, zeg ik er dan bij. Iedereen moet zichzelf leren kennen, met vallen en opstaan.
In de lezing vroeg ik naar hun eigen talenten en er kwam genoeg reactie, ze begrepen me ook. Iemand zei: films kijken. Een ander: lachen. En dan bespreken we wat je daarmee in het leven kunt, naar aanleiding van het boek ‘Jordi’.
En ik behandelde ‘realisme en fantasy’, hun voorkeuren ook, de plek van mijn boeken daarin, en ‘Zijn boeken te bestempelen als jongensboeken en als meisjesboeken?’ Of is dat onzin?
In de praktijk in ieder geval niet, blijkt.
En ik had nog deze twee fragmenten uit recensies over ‘Jordi’ willen bespreken.

Dit boek bevat elementen van een speurdersavontuur, maar gaat vooral in op de normale gevoelens van een dertienjarige. De leefwereld van Jordi is zeer bijzonder, maar in zijn manier van denken zullen de meeste jongeren zich wel herkennen.

Een heel apart boek. Nu eens geen boek over leuke meisjes en sms’jes en avondjes stappen maar een mooi verhaal over een rustige maar wel bijzondere, soms eigenwijze   jongen van dertien. Jordi gaat lekker zijn eigen gang.

Fragmenten die wel iets zeggen over mijn werk.
Niet aan toe gekomen, in die vijftig minuten.

De workshop duurde bijna anderhalf uur. De inleiding was hetzelfde als  bij de lezing, maar daarna heb ik allerlei schrijfopdrachten gegeven. Zoals:
-Over welk onderwerp zou je graag willen lezen? Kun je je interesse uitleggen? Heeft het te maken met je eigen leven? Of is het juist fantasy?
-Omschrijf een persoon die je graag als hoofdpersonage in een boek zou zien. Jongen? Meisje? Leeftijd? Situatie? Eigenschappen?
-Wat is jouw lievelingsboek? Wat maakt jouw lievelingsboek tot dat lievelingsboek?
En een opdracht aan de hand van de eerste zin uit drie van mijn boeken:

uit Het jaar van de veranderingen
Geen dag wilde Astrid meer verspillen aan chagrijn.

uit Het jaar van de onthullingen
Ooit droomde Astrid ervan dat haar vader haar zou komen ophalen, om haar voorgoed mee te nemen.

uit Jordi
Mijn oom vraagt: ‘Wat wil je worden, Jordi?’

Kies een van de zinnen en schrijf een kort vervolg.
Alles mag. Jij bepaalt en jij mag uit die eerste zin halen wat jij wilt. Elke uitleg van de zin is goed.
Sommigen hielden het kort en scherp, anderen hadden al snel een heel fragment.
Aan het eind wou ik stellingen bespreken als: hoe herkenbaarder een verhaal, hoe beter; een boek met een slechte afloop is verschrikkelijk; realistische boeken moeten spannend zijn.

Amper aan toegekomen. Want eerst wou ik ze nog laten schrijven over: Lezen is belangrijk. Daar mochten ze ook tegenin gaan. Dat gebeurde niet veel en als het gebeurde, toch vooral als de advocaat van de duivel.
Gelukkig.

Heerlijke dag. Een jongen had ‘Neil en ik’ gelezen. Expressief iemand. Ik hoefde er niet aan te twijfelen dat hij het boek hoog had zitten. Hij zuchtte ervan, de zucht van ‘intensiteit, geen woorden’. Dat ging verder dan ‘wel een goed boek’.
Uit de brugklas. Slim.
Een meisje had in de vakantie ‘Jane Eyre’ gelezen.
Hoopgevend.

 

Read my world 2016

Een zaterdagavond dwalend van zaal naar zaal in de Tolhuistuin, tussen Poolse  en Oekraiense  schrijvers en dichters, gisteren. Aangenaam in dubbele betekenis: in sommige zalen kijk je uit op een nachtelijk IJ. Polen en Oekraine zijn de landen die dit jaar  centraal staan op het Read my world-festival. Op twee scholen heb ik een paar van deze schrijvers geintroduceerd en hebben leerlingen zich door hen laten inspireren, aan de hand van schrijfopdrachten. De teksten die daar zijn uitgekomen zijn op vrijdag in twee shows op het festival gepresenteerd.
Gistermiddag was ik trots op een meisje van Hervormd lyceum west dat zich als enige zestienjarige tussen oudere studenten perfect staande hield in een programmaonderdeel waarin een Poolse schrijver en een Oekraiense schrijfster werden geinterviewd. Helemaal een meisje van deze wereld, met hoofddoek en al. In de klas was ze me opgevallen vanwege haar perfecte Engels. Door niets liet ze zich van haar stuk brengen, ook niet door de vragen van de Poolse schrijver, die van de interviewers graag geinterviewden maakte, alsof zij zelf volleerde schrijvers waren.
Deze zaterdagavond volgde ik een gedichtenmarathon, en programma’s over wortels van schrijverschap en over de inspiratie die ecologische thema’s leveren. Iedereen hier was geengageerd en betrokken bij de wereld. In ieder geval was dat de altijd voelbare sfeer. Ruimdenkend, en simpelweg nadenkend, niet dogmatisch in het algemeen. Geestig vaak ook.
Zoals Maxim Februari bij het programma dat ik misschien wel het interessantst vond: over De hang naar dictatoren.
Maxim Februari sprak over leiderschap, ook bij ons.  Vrij geciteerd: we leven in een puberale cultuur. Ouderen kleden zich als pubers. We kijken naar de jeugd, hoe doen zij het? Zelf draagt hij een spijkerbroek, een grijs overhemd en een eenvoudig colbertje.
Wat zou hij vinden van de Canadese premier Justin Trudeau? De sexy leider.
Bij ons zie ik niet zozeer puberale, als wel studentikoze leiders. Balkenende en Rutte. Licht ballerige leiders.
Puberaal, studentikoos, in ieder is alles beter dan Poetin, Erdogan en vergelijkbare types. Waarom kiezen ze in de Filipijnen een man die doodseskaders op drugsgebruikers afstuurt?
Trump, Wilders, wat staat ons te wachten? Dan liever die studentikoze, joviale types.
Rutte wordt soms als iemand zonder charisma bestempeld maar wel als iemand met ‘uitstraling’. Subtiel verschil. Mensen als Trump, Fortuyn en Wilders zouden wel charisma hebben, waardoor ze door sommigen als messiassen worden gezien die niets fout kunnen doen. Of ze nu leugens vertellen of niet, overdrijven, de waarheid naar hun hand zetten of walgelijke uitspraken doen over vrouwen, vluchtelingen, migranten of weet ik wie.
Het zet ‘charisma’  in een bedenkelijk licht.
Intussen voel ik met een vooruitwerkende kracht al de heimwee die ik over een paar maanden zal hebben naar Obama.

Nieuwe rages

Tags

, , ,

Altijd valt me in Madrid een nieuwe rage op die me eerder was ontgaan. Soms zie ik die dan later elders terug. Heeft het met mijn manier van kijken hier te maken?
Rages kunnen zich natuurlijk ook regionaal beperken.
Ik ben benieuwd hoe het zit met die van dit jaar: neuspiercings.
De piercings waren er de laatste tijd een beetje uit. Het draait allemaal om tatoeages, al jaren inmiddels, hier ook. In Madrid vielen me voor het eerst nieuwe patronen op, hele kunstwerken met veel kleuren. En teksten, sierlijk vormgegeven teksten.
Misschien komt het doordat iedereen hier vanwege de hitte relatief schaars gekleed gaat en ik bijna dagelijks in het zwembad kom.
Oorringen en -knopjes waren ook op de terugtocht, haast verbannen zelfs maar aan een lichte revival begonnen, de knopjes tenminste.  Maar die neuspiercings zijn de grote winnaars. Een stevig stalen boogje door het neusschot heen, dat is verreweg  de meest voorkomende. Heel opvallend.
Wat zijn we toch onbeschaamd kuddedieren. Lief eigenlijk.

Mijn favoriete zwembad in Lago moest het maar liefst drie jaar zonder het hoofdbassin doen. Het overgebleven bad was kleiner maar lag wel lekker in het groen.
Nu is dat hoofdbassin weer toegankelijk,  de belangrijkste verandering is dat de tribunes zijn weggehaald. In plaats daarvan zijn nu grasvelden aangelegd.
Van kunstgras.
Een concessie vanwege de exploitatie? Een bezuiniging? Veel minder onderhoud neem ik aan. Het voelt ruw aan mijn benen. Dit in een verder heel natuurlijke omgeving.
Ik vind het niks maar verder is de sfeer als vanouds. Iedereen is er weer, de families, de homo’s,  de vriendengroepen, de mensen alleen, donkere mensen, lichte mensen, gespierde mensen, minder gespierde mensen, mensen met heel verschillende achtergronden.

Op  de gevel van CentroCentro, op Cibeles nummer 1, nu: Welkom vluchtelingen.
Binnen een tentoonstelling met foto’s van het kampement op de Puerta del Sol van de 15 mei-beweging, tijdens de protesten van 2011 die ik heb meegemaakt. Die zomer dat de Puerta del Sol een aantal dagen was afgesloten.
Inmiddels deel van de geschiedenis, verbeeld op een expositie.

Het heden: Spanje probeert uit alle macht een coalitieregering te vormen maar het lukt niet. Ze zijn het niet gewend, maar nu kan het niet anders. In juni zijn al voor de tweede keer in korte tijd verkiezingen gehouden om uit de impasse te komen maar het helpt niet. Naast de twee grote partijen die elkaar sinds de afschaffing van de dictatuur afwisselden zijn twee nieuwe partijen opgekomen, sinds de protesten van 2011, en die laten zich nu niet meer wegdrukken.
Een partij kan geen meerderheidsregering meer vormen. De partijen blijven elkaars voorstellen afwijzen en in  de media begint de roep om ‘verantwoordelijkheid te nemen’ aan te zwellen. Heel grappig om te zien als je uit een coalitieland bij uitstek komt.

Na de afrondingen, 2

Tags

, , , ,

Bij Kasteeljuweel op het Muiderslot was dit voorjaar het onderwerp droomkasteel . Tegenwoordig sluiten we aan bij de tentoonstellingen die in het kasteel worden georganiseerd en deze keer was dat Van Muiderslot tot Bommelstein. Of andersom.
Daarin kreeg de Bommelreeks van Marten Toonder alle aandacht, en werd Bommelstein vergeleken met middeleeuwse kastelen, en in het bijzonder het Muiderslot.
Bommelstein lijkt op het Muiderslot, in grote lijnen. Geen van beide zijn ze trouwens onveranderlijk, het werkelijk bestaande slot is natuurlijk in de loop der eeuwen regelmatig verbouwd, gerestaureerd of gerenoveerd. En Bommelstein blijkt ook niet altijd hetzelfde, de verschillende tekenaars hebben hier of daar wel eens wat aangepast als het zo uitkwam.
Als de klassen een ochtend of middag komen, leiden we ze de eerste drie kwartier rond over de tentoonstelling en door de tuin, als voorbereiding op het schrijven van een gedicht, en in het begin moest ik wel even zoeken naar de juiste invalshoeken en toon. Ik ben ook allesbehalve een Bommelkenner, ik heb de strip weinig gelezen, al houd ik wel van de fijnzinnigheid en de humor van de Toondertaal. Het is iets wat ik zou moeten inhalen.
Die toon en benadering vond ik in de tegenstelling werkelijkheid-fantasie en in de vraag waar die twee elkaar raken. En in de rol en betekenis van taal op Bommelstein en op het Muiderslot. Zowel uit de Bommelreeks als uit het leven op en rond het Muiderslot zijn uitdrukkingen en woorden in de Nederlandse taal terecht gekomen. Of ze hebben ertoe bijgedragen dat woorden levend zijn gebleven.
Van het Muiderslot weer maar eens even: Tot in de pruimentijd, voor pampus liggen, aangebrand doen (P.C.Hooft was een broodliefhebber, dit woord komt uit de bakkerijen), brave hendrik, heilig boontje.
Van Bommel: Als u begrijpt wat ik bedoel, een eenvoudige doch voedzame maaltijd, verzin een list, met uw welnemen. En bijvoorbeeld een woord als parmantig klinkt in mijn oren als een typisch Bommel-woord. En een aanspreking als jonge vriend doet mij onmiddellijk aan Tom Poes denken.
Bij Toonder en bij Hooft, de grote zeventiende eeuwse dichter en hoofdbewoner van het Muiderslot, kom ik trouwens dezelfde woorden tegen, zoals lispelen. Bij Toonder: het windje lispelt.
En waar raakt de fantasie de werkelijkheid? Eigenlijk zo vaak maar een mooi voorbeeld schuilt al in het begin van het Bommelverhaal. Als heer Bommel en Tom Poes het kasteel voor het eerst zien liggen, roept Tom Poes onmiddellijk: ‘Dat is iets voor U. En daar kunt u een toeristische attractie van maken.’ Niet letterlijk, maar zulke woorden. Dat moet zestig, zeventig jaar geleden neergeschreven zijn.
En wat gebeurt er tegenwoordig met het echte slot? Het Muiderslot heet nu ook Amsterdam Castle, daarmee worden onder andere Amerikaanse toeristen getrokken. Dat leverde de laatste jaren direct velde duizenden bezoekers per jaar op.
In feite raken niet alleen fantasie en werkelijkheid elkaar hier, maar ook verschillende tijden.
Voor aanvang van deze versie van Kasteeljuweel leefde de vrees dat een nieuwe lichting scholieren amper of niet weet wie Bommel is. Helaas niet helemaal ten onrechte al zaten in vrijwel elke klas wel een paar leerlingen die de literaire strip konden plaatsen.
Toch betekende dat niet dat wat we te vertellen hadden op dooie akkers viel. Zelfs als ze van te voren niets wisten pikten ze genoeg op. En dat is ook terug te lezen in de gedichten die gemaakt werden. Ik vind het frappant hoe velen sferen en karakters haast vanzelf weten te treffen.

een warme knuffel
van een knisperend hart
een kruidige geur
van het eetmaal
In dit fragment zit het hem vooral in het woordgebruik.

wensdroom, wensdroom, wensdroom
ik wil een wensdroom, eist Bommel
Ht is mogelijk als je gaapt en dan slaapt, zegt Pompelpoes
Het is je gelukt, je bent er
Het is je droom kijk je kent haar

Ik wil een kasteel in de heuvels, zegt zij
Dit is mijn droom, zegt het meisje
Bombel vindt het niks, hij wil zijn eigen droom
met oerwouden en papegaaien

Oh nee, waarom ben ik wakker
ik ben aan het wandelen in de heuvels
Hier worden ook karakters getroffen, op een speelse manier. De ijdele, wat kinderlijke en drammerige kant van Bommel, de geduldige raad van Tom Poes, wel de eigen toon in de koosnamen die wat mij betreft niet detoneren, dat dromerige van het wandelen in de heuvels in de slotregel. Zonder enige opsmuk en in alle eenvoud klopt het allemaal zo. Geestig ook, met die verspringingen van dromen, en op het laatst lief en ontroerend en onschuldig, zoals de beer Bommel ook is.

Komt er een beer Bommel
Hij vraagt wat doe je?
Ik zeg ik probeer iets te bedenken
Heb jij ideeen voor mij?
Ik heb altijd ideeen zegt Bommel
Want zo is Bommel
Dat laatste, zo is Bommel, past bij de even goedige als pedante beer, echt zo’n figuur van wie je zegt: Zo is hij. Ook weer in alle simpelheid raak. De leerlingen doen iets eigens, maar de inspiratiebron laat zich kennen.

Het beeld van de jonge vriend doet het ook goed:
een jonge vriend , zo in de wolken
denkend aan haar
zij zo beeldig als een bloem
een jonge vriend, zo eenzaam

Of, een ander fragment:
De jonge vriend die je trouw blijft
zo vaak ontmoet, toch nooit gesproken
Tom Poes is zeker trouw.

Als de bladeren tijdloos vallen
komt er ruimte voor complexiteit
hoe creatief
met welk doel
mijnheer, ik ben geen wijsneus
Dit zijn regels van een vierdeklasser VWO, en dat is ook te merken.

Bijna vakantie nu. De reacties op mijn werk blijven goed, van scholen, leraren en leerlingen. Ook binnen de instellingen waarvoor ik werk.
Een fout is snel gemaakt, al is het maar in de timing van een workshop, maar daar kijkt vrijwel iedereen doorheen.
Het belangrijkste is dat ik me kan blijven verbeteren.
Laat ik vooral blijven vertrouwen op mijn inzet, mijn plezier, mijn betrokkenheid bij leerlingen ook, mijn kennis van zaken.
Het mooist vond ik misschien wel de reactie van de leerlingen van de school in Antwerpen waar ik aan de bak moest, ik geloof begin maart, na de opmerking van een meisje: ‘Waarom doen we dit eigenlijk?’ Zij deden mee aan VERS debat en essay.
Nu zeggen ze: ‘Het was activerend en inspirerend. Leuk om te doen en ook leuk om als publiek klasgenoten en leeftijdgenoten te zien optreden.’
Sommigen hebben ook gezegd dat ze poezie nu eigentijdser vinden dan ervoor.
Dat is toch ook wel heerlijk om te horen.

 


Na de afrondingen

Tags

, , ,

De weken van de afrondingen zitten erop, ik ben nu vooral nog bezig met voorbereidingen voor volgend jaar.
Met Music hall, een van de twee vierdejaarsproducties op het Haarlemcollege, waren we geselecteerd voor een festival in de Toneelschuur maar het ging niet door. dat liep enkel en alleen mis vanwege slechte planning, zestien juni, de dag van de uitslagen van de examens.
In ieder geval is veel materiaal op film gezet, ook van de derde versie van Victory over the sun. Zelfs na het examen hebben we nog met leerlingen geschaafd aan scenes, soms in kleinere groepen, wat goed werkte. Verschillende scenes zijn daar sterker uitgekomen. Maar door allerlei organisatorische tegenslagen heb ik niet helemaal kunnen doen, wat ik met deze versie voor ogen had. Tenminste als uitvoerbaar theaterstuk. We hebben net te veel pech gehad met afwezigheid van spelers. Op een aantal mensen konden we bouwen, die hadden werkelijk wat in hun mars. Anderen waren van goede wil en stegen regelmatig boven zichzelf uit maar redden het uiteindelijk vaak toch niet. Weer anderen zaten vooral zichzelf voortdurend in de weg, maar daar hadden ook anderen last van. En een paar keer liepen ruzies zo hoog op, dat zelfs met politie werd gedreigd. Uiteindelijk is dat wel met een sisser afgelopen maar het tekende de ups en downs van de groep. Niet makkelijk om in zo’n situatie maar liefst twee stukken tot een goed einde te brengen.
En toch, en toch zijn we weer ver gekomen, niet de makkelijkste teksten met niet de makkelijkste groepen. Ik blijf het zeer de moeite waard vinden.

Het tweede jaar met de zes voorrondes voor VERS debat en essay zit erop, deze opzet begint daarmee ook al weer gevestigd te raken. De derde jaargang staat al in de steigers.
Ik blijf schaven, het werkmateriaal wordt steeds uitgebreider. Instructievellen voor debat en essay, een bundel met gedichten die steeds aangepast en licht uitgebreid wordt. Elke keer voeg ik gedichten toe van schrijvers die in het betreffende jaar genomineerd zijn voor de VSB-poezieprijs. En ik blijf ook zoeken naar even sterke als opmerkelijke gedichten die werkelijk wat losmaken, als het kan juist tegengestelde reacties. Goed als voorbereiding op het debatteren.
Vooral blijf ik stoeien met de stellingen voor de voorbereidende lessen en ook voor de voorrondes.
Het gaat er de hele tijd om de beste formuleringen te vinden, alle valkuilen te omzeilen en de debattanten het best mogelijke materiaal te geven voor hun verbale strijd.
Gelijk krijgen is niet waar het bij ons om draait, het gaat erom van twee kanten de best mogelijke argumenten te vinden. Wie dat het beste doet, wint -het is en blijft wel een jurysport.
Aan het begin van het seizoen ging ik aan de slag met achttien nieuwe stellingen waar ik heilig in geloofde. Ik kon ze allemaal goed verdedigen, een flink aantal had ik ontleend aan dichters zelf zoals genomineerde Ilja Leonard Pfeijffer, die had opgeworpen: Onbegrijpelijk poezie is altijd beter dan makkelijke poezie. En Frank Starik heeft aangezwengeld: Moeilijke gedichten worden overschat. Hans Sleutelaar: De zucht naar originaliteit is een vals spoor.
In zo’n laatste geval kun je gaan zoeken naar een eenvoudiger formulering die de lading evengoed dekt maar een ding staat vast: over al deze zaken wordt in de wereld van de poezie gedebatteerd. Als dichters ze zelf aandragen, zegt dat genoeg.
Het is een belangrijk criterium, het geeft me houvast. Ik moet me er zelf natuurlijk van alles bij kunnen voorstellen en dat is hier het geval.
Verder hebben stellingen mijn voorkeur die verwijzen naar een sociaal-culturele of een cultureel-maatschappelijke orientatie. Of naar een kunstopvatting met een maatschappelijke relevantie.
Een dichter moet provoceren vind ik er zo een. Deze verwijst naar een opvatting over kunst (kunst moet provoceren). Een opvatting die niet iedereen onderschrijft- ga in het debat de argumenten maar verkennen. Nogmaals; daar draait het om. En niet om gelijk krijgen, zoals gezegd.
Nog een voorbeeld van een stelling waarmee ik uit de voeten kan: Een dichter dicht voor de eeuwigheid. dat vind ik een essentiele. Het gaat er me niet om het begrip eeuwigheid heel letterlijk te nemen. Ik weet wel dat kunstenaars hier heel verschillend tegenaan kijken. In ieder geval in de manier waarop ze zich erover uitspreken. Maar ze ontkomen er niet aan om erover na te denken. Een bundel of een boek is geen krantenartikel. Wat haal je uit het nu? Schrijf je je boek zo dat het over een paar jaar weer achterhaald kan zijn? Of wil je iets raken dat verder reikt?
Ik weet ook zeker: het speelt. En het speelt terecht.
Meer moeite heb ik met stellingen die het persoonlijke raken. Bijvoorbeeld als een begrip als troost wordt opgevoerd, als in poezie troost of poezie kan troosten. Wie kan voor een ander bepalen of zij of hij troost put uit een gedicht, uit een formulering, uit een combinatie van woorden? Je zou als stelling nog kunnen opwerpen  Poezie moet troosten maar dan nog zeg ik: het oproepen van een emotie blijft iets heel persoonlijks, niet werkelijk aantrekkelijk voor een debat.
Wat niet wil zeggen dat iemand niet een schitterend betoog zou kunnen houden over de troost die een gedicht hem of haar geboden heeft. Want natuurlijk kan dat.
Mij gaat het erom: waar debatteer je over en wat is daar minder geschikt voor?
De discussies daarover gaan door. Het is niet eenvoudig, heel vaak denk ik: heel geschikt, om na een uur toch de haken en ogen te zien.
Stellingen kun je er niet snel even doorjassen.

Creativiteit van reizen en zijn

Tags

, ,

Meivakantie, even tijd om de eerste vier maanden van het jaar te laten bezinken. Veel werk verzet. Elk voorjaar pakt weer anders uit maar het is inmiddels al jaren een periode waarin treinen en hotels of appartementen een rol spelen, een tijd van bagage in- en uitpakken, trekken van stad naar stad en van school naar school. Regelmatig ergens een paar dagen of een weekje bivakkeren. Of maar een nacht, allemaal heel gevarieerd. Altijd weken met verschillende activiteiten waarin er een paar leidend zijn, en met heldere doelen: de best mogelijke lessen en workshops geven en goede presentaties voorbereiden.
En als het dan april wordt, komt er ruimte om aan Kasteeljuweel op het Muiderslot te beginnen en tussen de schapen door naar Muiden te fietsen.
Voor het zover is laat ik me altijd met plezier opslokken, die weken van drukte zijn eindig, weet ik, en duren me nooit te lang. Ik geniet ervan.
Door de manier waarop roosters en schema’s deze keer uitpakten, werd het Centraal Station in Antwerpen een paar maanden lang haast letterlijk het draaipunt van mijn leven. Ook om bijvoorbeeld over te stappen naar Gent. En op  de terugweg natuurlijk. Of om van daaruit de metro of tram naar scholen te nemen.
Achteraf begrijp ik dat mensen zich bezorgd om me hebben gemaakt vanwege de terroristische dreigingen in Belgie. Pas hoorde ik dat veel mensen het land mijden, volgens de statistieken. Zelf heb ik er helemaal niet bij stil gestaan. Terwijl je natuurlijk heel goed zou kunnen veronderstellen dat het Centraal Station in Antwerpen een doelwit kan zijn. Maar goed, het CS in Amsterdam ook, en zoveel plekken, overal gevaren zien zit niet in mijn manier van kijken en denken. Het is ook een kwestie van –simpele kansberekening.

Deze keer heb ik in Antwerpen telkens in het IBIS-hotel in het centrum gezeten, geografisch handig. Altijd zat ik om half zeven aan het ontbijtbuffet, ook handig en lekker en prettig, vaak begonnen lessen om tien over acht hier of daar.
In dat hotel heb ik herinneringen liggen -we logeerden er ook met veel mensen tijdens de finale van Y-Poetry een aantal jaren geleden, in 2010. De lobby was een trefpunt.
En nu kwam ik er in een weekend bekende gezichten tegen uit Amsterdam, een dj en zijn vriend. Ik had hen al in de stad gezien, wist niet eens dat ze op dezelfde plek logeerden en ontbeet met hen op zondagochtend. Mensen die vanwege hun bezigheden festivals afgaan.
Op die zondag kon ik overdag niet mee naar een feest waar zij actief waren, ik moest onder andere een VERS-voorronde in Breda voorbereiden, maar dat vond ik niet zo erg. Dit soort momenten geven me altijd erg het gevoel opgenomen te zijn in een gekrioel van elkaar overal kruisende mensen blakend van activiteit en creativiteit.
Je moet het niet elke dag hebben maar ik krijg energie van een vroege ochtend op een school in Antwerpen, dan de trein nemen naar Gent om er halverwege de dag in een idyllisch theater aan het water in het middeleeuwse centrum een groepje voor te bereiden op een presentatie, en in de late middag nog een workshop in Gentbrugge.
Dat was op 25 februari en ik had telkens genoeg marge om daar volop van te kunnen genieten. Het bewijs dat er veel kan op een dag, als het moet.

Aan schrijven en lezen kwam ik in deze periode minder toe, maar dat is logisch, ik wist het van te voren. Ik wilde ook benutten waar ik was en de ervaringen niet langs me af laten glijden. Door een stad lopen, iets wat ik veel doe, hier en daar eens wat bekijken, afspraken maken met mensen, ontspannen.
Tussendoor moest ik veel organiseren en regelen, de smartphone heeft regelmatig als een minikantoor in de trein gefungeerd. En de laptop op hotelkamers of logeeradressen. Nu, in deze meivakantie, kan ik gelukkig weer volop schrijven, nu ben ik daar ook zeer aan toe.  Al sinds april kan ik activiteiten weer beter combineren, bij wat minder grote drukte en wat minder reizen kan schrijven best tussendoor, een beetje afhankelijk van de fase waarin ik zit.
Deze variaties in periodes vind ik een groot plezier, alleen zal een nieuw boek wat langer op zich laten wachten.
Voor het tweede jaar zijn er nu zes voorrondes van VERS debat en essay door het taalgebied, een flinke uitbreiding van werk rond deze activiteit, waaraan ik me verbonden heb. Dit soort ontwikkelingen beinvloeden mijn werkschema’s natuurlijk, maar ik ben er zelf bij en kies ervoor. Ik ben blij met deze kansen en het schrijven zal blijven, het speelt altijd, al is het maar in mijn achterhoofd.
En nu ligt het weer even voorop.