Tags

, , , ,

Pas half mei had ik door eerdere drukte het manuscript van Timothy’s komst aangepast. Een maand eerder liet mijn uitgeefster weten dat ze er ondanks eerdere ideeen de voorkeur aan gaf om het boek in het voorjaar van 2019 uit te geven. Dan kon ze zelf de voorbereiding daarvan begeleiden, na haar zwangerschapsverlof.
Ik vind dat meer dan uitstekend, begin september is ze weer terug. Ook al heb ik vertrouwen in vervangers, ik wil heel graag met haarzelf dit proces afronden.
Deze gang van zaken nu sluit ook aan bij mijn plan om niet te veel tijd te laten bestaan tussen het uitkomen van het tweede en het derde Jordiboek. Ooit in mijn fantasie, als een stunt, maar een half jaar. Verrassing, ineens zou er dan zomaar een fors boek achter Timothy’s komst aankomen. Dat zou wel wat hebben, maar zo belangrijk is het uiteindelijk ook weer niet. Als er straks maar drie sterke Jordiboeken bestaan die zin hebben in de wereld en er vol vertrouwen in stappen.
Nu staat me voor ogen: voorjaar 2019 Timothy’s komst (werktitel), najaar 2020 hoe dat derde Jordiboek ook heet.
Als boek twee uitkomt, zal ik in ieder geval ver zijn met boek drie, dat blijft in ieder geval een heel plezierige gedachte.
*
Op dit moment praat ik regelmatig over de omvang van een boek, over het aantal woorden van een manuscript. Hoe ver ben ik nu met het laatste? Hoe verhoudt dat zich tot vorige boeken? Hoe dik moet het boek in dit geval worden?
Ik wil een zekere omvang van het derde Jordiboek. Je kunt natuurlijk zeggen: het is wat het is, als je alles gezegd hebt wat je kwijt wil, is het klaar. Maar soms past bij een idee, een opzet, een bedoeling haast letterlijk een bepaalde zwaarte. Alsof er iets niet klopt als het dun uitvalt, of in ieder geval in relatieve zin aan de dunne kant is.
Het moet een boek worden met meerdere, samenhangende elementen, allerlei ontwikkelingen krijgen afronding, althans voor de middelbare schooltijd.
De dikte, de zwaarte maakt deel uit van het uitroepteken dat het boek moet worden.
Een dun boek kan er ook staan maar daarmee kan deze trilogie niet eindigen.
Het manuscript beslaat nu zeventig duizend woorden. Maar het laatste deel moet nog geschreven worden. Daarnaast heb ik geen idee hoeveel ik nog zal willen of moeten schrappen uit wat ik nu al heb.
Het boek dikker maken dan de eerste twee zal zeker lukken zoals het er nu voorstaat, in dit opzicht het eerste doel. Minimaal twee honderd vijftig bladzijden, zou ik nu zeggen, liever drie honderd. Jordi telt tweehonderd en drie en twintig bladzijden.
Mijn dikste tot nu toe komt uit op drie honderd en zeventig trouwens, dat is De vijfde jongen. Een losstaand boek zoals mijn meeste, wat mij betreft klopt ook in dit geval de omvang.
*
Een collega-poeziedocent van mij vertelde dit voorjaar dat ze nu een manuscript heeft van achttien duizend woorden. Voor haar klopt dit aantal. Langer maken zou voor haar al snel iets geforceerds hebben.
Een lastige omvang, niet eens een novelle zou ik zeggen. Zelf spreekt ze van een lang kort verhaal.
In een gesprek haalde ik er pas geleden Le petit prince bij. Kinderboek kun je zeggen, maar dan wel kinderboek ook voor volwassenen. Dat moet je kunnen zeggen over elk goed kinderboek, maar goed, even als voorbeeld van een sterk, onafhankelijk boek met relatief een beperkt aantal woorden.
Wat kun je doen met achttien duizend woorden als je er een boek van wilt maken? Ruim opzetten, grote letters, zo mogelijk tekeningen?
De kwestie is interessant, ik heb er ook met meerdere mensen over gesproken. Niemand weet het precies. Welke lengte moet een tekst hebben om er een boek van te maken? Is er een minimum, hoe kijken uitgevers daar tegenaan? Of moet je in het geval van achttien duizend woorden er nog een paar verhalen bij schrijven zodat je er een verhalenbundel van kunt maken?
Misschien is dat de oplossing.
Los van publicatie in tijdschriften misschien, of is het daarvoor juist weer te lang?

Advertenties