Tags

Weer heeft iemand uit België de finale van VERS debat en essay gewonnen. Wat heet, twee Belgische winnaars zelfs, voor debat van Kunsthumaniora uit Antwerpen, een school die voor het eerst heeft meegedaan, en voor essay Atheneum Gentbrugge, al zo vaak leverancier van winnaars.
De debatten waren levendig en boeiend, soms verrassend, ik was er tevreden mee.
Direct na afloop sprak een leraar uit Breda met wie ik goed overweg kan, me aan buiten de zaal, op zijn gebruikelijke joviale manier. Nee, de stellingen waren niet allemaal even sterk, riep hij, tijdens de voorronde in Breda waren ze beter geweest. ‘Nooit bijvoeglijke naamwoorden gebruiken,’ rondde hij zijn commentaar af.
Ik reageerde afhoudend, beetje geërgerd, zonder veel woorden. Na zo’n finale, zo’n slotshow aan het eind van maanden werken, lessen geven en voorrondes, moet ik alles altijd even op een rijtje zetten. Rond de stellingen is vaak discussie, iedereen heeft daar een mening over, er valt altijd iets over te zeggen. Soms lopen de discussies op en ik heb er wel eens veel moeite mee gehad. Maar ik kan ook denken dat het door de jaren heen eigenlijk altijd zonder al te veel spanningen is verlopen, gezien wat het had kunnen zijn. Altijd kwamen we er op de een of andere manier wel uit.
Elk jaar zoek ik, bedenk ik en formuleer ik weer nieuwe stellingen, vaak geïnspireerd op ideeën en opmerkingen van genomineerde dichters voor de VSB-poëzieprijs. En telkens verrast het me dat het mogelijk is om nieuwe invalshoeken te kiezen. We gaan altijd door met een mix van beproefd en nieuw. Al doende ontwikkelen we ook op dat vlak onze manieren van kijken en denken.
Tijdens de lessen op de scholen maak ik eigenlijk weinig mee dat de stellingen ter discussie gesteld worden. Soms een leerling, die bijvoorbeeld beweert dar er bij een bepaalde stelling geen tegenargumenten te vinden zijn. Vaak heb ik dan het geluk dat een andere leerling meent dat er juist geen argumenten vóór te vinden zijn. Zo neutraliseren ze elkaar dan, en anders toon ik aan dat de betreffende stelling leeft in de poëzie- of kunstwereld, en dat dit nu eenmaal het geval is vanwege het bestaan van voor- en tegenstanders. Als ik zeker weet dat een debat ook werkelijk gevoerd wordt, kan ik me daarop beroepen.
Met de leraren heb ik al helemaal weinig discussie over de stellingen, die zien altijd het nut ervan, we zijn aan het werk, we wisselen van alles uit, vanzelf pakken mensen betekenissen en bedoelingen op.
Ver voor de eerste voorronde heb ik gebrainstormd met Ilonka, mijn sparringpartner, over de stellingen van dit jaar. We hadden een heel reservoir, en voor de eerste voorronde heb ik twaalf stellingen ingediend. Iedereen was daarmee akkoord, zelfs enthousiast. Allerlei facetten kwamen aan bod, er zat afwisseling in, geen valkuilen zoals (dubbele) ontkenningen, helder geformuleerd enzovoorts.
Tijdens alle voorrondes hebben we die lijst in grote lijnen gehandhaafd, geen probleem, een rustig jaar in dit opzicht.
Voor de grote finale hebben we achttien stellingen nodig en dan willen we niet alleen de bekende en gewilde uit de voorrondes gebruiken. Ze moeten meer dan ooit sterk en goed zijn, helder, niet vatbaar voor misverstanden en noem maar op. Meer mensen buigen zich erover en dit jaar kwam er redelijk makkelijk een lijst uitrollen waar iedereen zich in kon vinden. Niet met het gemak zoals bij de voorrondes, ik moest ook wel een paar keer slikken maar ik stond er wel helemaal achter.
Als iemand dan direct na zo’n finale ineens weer over de stellingen zelf begint, val ik stil of begin ik toch wat tegen te pruttelen.
Ik moet me er bij neerleggen dat de debatten over de debatstellingen nooit zullen stoppen. Begrijpelijkerwijze. Ook niet als ik een keer denk: nu gaat het soepeler, nu zijn we er. Wel lastig soms, en op het verkeerde moment zoals na een grote finale heel vervelend.
Zou die heel aardige, joviale leraar dat niet snappen?
Toch eens even gaan kijken naar de bijvoeglijke naamwoorden in de stellingen. Hoe vaak, hoe veel, en maken ze de stellingen echt meer fluïde?
*
De twee laatste voorrondes van VERSdebat en essay kon ik eerder dit jaar, eind maart en begin april, niet bijwonen. Ik kon in die periode niet gemist worden bij de repetities van Victory over the sun. Dat soort dubbelingen zijn soms niet te vermijden, aan het begin van het seizoen is niet precies te voorspellen, hoe de werkschema’s uiteindelijk zullen uitpakken. Een van de lastigste elementen uit mijn praktijk. Volgend jaar hoop ik dit te vermijden maar het blijft de vraag of dat mogelijk is.
In het uur voorafgaand aan zo’n voorronde begeleidt Ilonka de deelnemers op het podium, ze legt de gang van zaken uit, doet een microfoontraining met ze, enzovoorts. Zelf fluister ik ze meer in het algemeen wat in, geef tips als ze er behoefte aan hebben, bemoedig ze. Maar als ik er niet ben, gaat de show wel door. Het is raar, gezien mijn betrokkenheid, ik ken altijd iedereen, heb telkens met iedereen gewerkt. Deze activiteit is een kindje van me, heb ik inhoudelijk ontwikkeld, ik heb opdrachten en materiaal verfijnd waaronder een werkbundel met gedichten, sparrend met Ilonka. Mijn afwezigheid bij Vers debat en essay is anders dan afwezigheid bij een (VERS)revue met gedichten. Hier zit ik dichter op.
Als ik er niet bij ben wordt dat ook niet altijd begrepen. Niet iedereen ziet dat het om een goed georganiseerd programma gaat, waar genoeg mensen bij betrokken zijn die altijd kunnen zorgen dat het goed loopt. Ja, achteraf natuurlijk wel.
Het minste begrip is er dan weer bij degenen die zelf ons improvisatievermogen het meest op de proef stellen. In Amsterdam bleek een grote groep leerlingen niet aan de voorronde te kunnen meedoen vanwege schoolreizen naar het buitenland die over het hoofd waren gezien. We hebben dat weten op te lossen, maar mijn afwezigheid bij die voorronde viel op de betrokken school even verkeerd. Terwijl ik juist daar door omstandigheden en aanpak ter plekke mijn programma niet goed en volledig kunnen uitvoeren. Er was altijd wat, ze waren te druk met zichzelf en hun eigen activiteiten bezig. Als mijn komst lastig in het programma was in te passen, riepen ze snel: We doen het zelf wel. Terwijl een ander gezicht voor de klas een deel van de waarde van zo’n speciale activiteit is. En zijzelf de materie alleen vanuit de tweede hand kunnen verwerken.
Jammer, dat heb ik niet eerder zo meegemaakt. Ook opmerkelijk dat juist deze school met vijf klassen wilde meedoen en ook heeft meegedaan. Ze hadden allemaal een andere leraar. Jammer, geen ideale situatie, juist op een school die pretendeert veel te bieden te hebben.
Het meest verbaasd was ik nog tijdens een les daar die ik heerlijk vond, vanwege de reacties van de leerlingen uiteraard. Het werd een soepele gang met voordrachten, vertellen en uitwisselen. Tegelijkertijd begon een lerares met de minuut afstandelijker te kijken.
Ik heb dat niet gesnapt.

Advertenties