Tags

, , , , ,

Inmiddels ben ik een week of drie, vier vrijwel continu onderweg, vooral reizen tussen Antwerpen, Gent en Amsterdam, met stops in steden als Rotterdam en Haarlem.
Twee keer heb ik één nacht bij mezelf gelogeerd in Amsterdam  –dat was onder andere nodig vanwege een poëzieactiviteit ronde de Februaristaking op het Pieter Nieuwlandcollege. Daar wilde ik graag aan meewerken en me in verdiepen, ook al werkte ik op dat moment het meest in Gent. Het lukte net om alles wat ik moet en wil doen te combineren. Discipline helpt me nu en is nodig, om te beginnen op tijd regelen en voorbereiden.
Aan het eind levert dat de vrijheid op die ik mezelf beloofd heb, zodat ik kan genieten van alle bezigheden, ontmoetingen, de dynamiek van het reizen en het zijn op verschillende plekken. Veel stress doordat ik telkens tijd tekort kom of doordat ik me afvraag of ik het red, heb ik niet.
Op deze manier kan ik inderdaad genieten van de drukte en de levendigheid, en geen enkele periode duurt eindeloos. Dit is een piek, deze periode is vaak een piek, al jaren.
Net als vorig jaar in deze maanden is het Centraal Station van Antwerpen een soort draaipunt. Door de aanslagen van de afgelopen jaren in Parijs en Brussel waar mensen uit Molenbeek bij betrokken waren lopen er nog steeds zwaarbewapende militairen rond. Net als op andere plekken waar veel mensen samenkomen. De School der Poezie heeft serieus overwogen om de activiteiten in België te staken –te riskant om er medewerkers naar toe te sturen. Stel dat er iets gebeurt, hebben ze gedacht als ik onderweg was, meer dan ikzelf.

Op Antwerpen centraal moet ik altijd overstappen op weg naar Gent of weer terug, of de stad zelf is mijn eindbestemming. En dan neem ik hier in de vroege ochtend weer trams of bussen naar de verschillende scholen waar ik hier werk.
Bij dat overstappen moet ik vaak wachten, drie kwartier meestal, te kort om iets te ondernemen en erg lang voor het gehang op perrons.
Dan zoek ik mijn heil nog wel eens in de ruimte bij de loketten, op de houten bankjes tussen de doorzichtige schuifdeuren en pilaren. Warm genoeg, in ieder geval niet te kil of te koud, veel te zien en toch overzichtelijk. Een geschikte plek om even te zitten, onderweg met twee stuks bagage. Altijd blijf ik wel alert, meestal ook met een arm door een hengsel van mijn rugzak, andere reistas bijvoorbeeld tussen mijn benen. Zoals wanneer ik op weg ben naar Schiphol of vanaf een vliegveld naar een logeeradres.

Tijdens mijn grote, langdurige reizen en ook dichtbij, bijvoorbeeld op de Albert Cuyp kies ik bij de situatie horende veiligheidsmaatregelen, voor pasjes, geld, tickets en ander waardevols. Met een beetje alertheid en verstandig opereren kun je best veilig de wereld door. In Amsterdam ben ik nooit beroofd, tijdens reizen zijn wel pogingen ondernomen, in Rio probeerde iemand ooit een rugzakje van me af te rukken, waardoor een handvat losscheurde. Mijn spullen had ik nog. En in Egypte is ooit geld gepikt dat ik, heel stom, in een appartement had achtergelaten. De dief was nota bene een oppasser, dat werd nog een hele affaire.
Alles bij elkaar heb ik tot nu toe weinig schade geleden door diefstal of beroving.

Afgelopen vrijdagmiddag, 10 februari 2017, ging het op het Centraal Station van Antwerpen wel mis, tijdens zo’n overstapstop van drie kwartier. Daar, op een van de houten bankjes bij de loketten, waar ik me juist heel veilig waande. Daar was overzicht, daar ontspande ik, met mijn reistas voor me en mijn rugzak links naast me. Met even geen arm door een hengsel. Vertrouwde plek, niets aan de hand, daar bij de schuifdeuren. Verslap je als je al drie weken met twee stuks bagage onderweg bent?  Ik heb dat gevoel niet, maar altijd gespannen blijven, spullen aan of op je lijf zelfs op plekken waar dat niet nodig lijkt en die ik erop uitkies, is misschien net iets te veel gevraagd.
Een bekende truc uitgevoerd door twee mannen deed me de das om. De een leidde me aan mijn rechterkant af door me in onduidelijk Frans iets te vragen. Iets over ‘train’ en  ‘Bruxelles’. Ik vroeg wat hij bedoelde. Opnieuw brabbelde hij iets en ineens vertrok hij heel haastig. Ik keek links van me, rugzak weg.
Daarin mijn laptop, paspoort, wat toiletartikelen, wat kleren, pennen, papierhandel. Het allerergste: de oogst van de dag aan gedichten, voor de VERSrevue op dinsdag 21 februari. Heel veel gedichten, van vier klassen maar liefst, ik was op twee scholen geweest en de betreffende klassen hadden op die dag hun gedichten afgemaakt. In één klas had ik twee uur lesgegeven.

Radeloos rende ik door de stationshal, met mijn overgebleven tas. Niemand te zien natuurlijk, tenminste van die mannen, anderen keken onverstoorbaar langs me heen.
‘Hoe kon ik zo stom zijn,’ riep ik een aantal keren, tot er een man op me afkwam die op zijn beurt herhaalde: ‘Je moet jezelf niets verwijten. Je kunt er niets aan doen, het is een valse truc.’ Met hem liep ik naar de politiemannen, hij had gezien hoe de lui ervandoor waren gegaan. Achteraf had ik hem meer willen vragen maar hij moest weg en ik ging met de politiemannen naar hun kantoortje voor de aangifte. Ze namen alles op met een wat afstandelijke routine, ze hadden dit duidelijk al te vaak meegemaakt. Op het randje af bleven ze net vriendelijk genoeg. Wisten zij veel, mijn ellende zat niet in het materiële verlies, bij mij draaide het alleen maar om de verloren gedichten. En ik dacht alleen maar aan de VERSrevue in Gent, hoe moest het met die show zonder deze gedichten?

Na het wegzakken van de eerste radeloosheid telde ik in dat eerste uur al wel mijn zegeningen. Door mijn volle programma en het krappe tijdsschema heb ik in de dagen hiervoor alles wat gereed was direct verwerkt en doorgestuurd. Dat ging om twee klassen voor de betreffende revue, en ik heb ook nog eens ruim geselecteerd, dertien gedichten in totaal die in ieder geval gebruikt kunnen worden. Daarnaast heeft mijn collega Ineke op een derde school met vier klassen gewerkt, ook de oogst daarvandaan blijft vanzelfsprekend intact.
Nog meer geluk: ook van de gedichten uit Amsterdam over de Februaristaking heb ik mijn selectie al gemaakt en voor de betreffende revue aangeleverd. Die gedichten moest ik op maandagmiddag laat haastig meenemen naar Gent, ik moest een trein halen, wilde ik daar nog een beetje op tijd aankomen. Als ik iets minder snel was geweest, waren die ook verloren gegaan. Nergens heb ik de afgelopen week tijd gehad om te kopiëren. Altijd moest ik vlug vlug naar trein of bus, voor de volgende etappe. Goed te doen, maar in die zin was er geen rust. Nu zit ik te denken dat ik leerlingen in het vervolg foto’s van hun gedichten kan laten maken. Dat gebeurt al regelmatig, soms past het binnen de opzet. Voor de zekerheid zou ik dat standaard kunnen invoeren. Maar de afgelopen week was zelfs dat lastig geweest – de leerlingen waren bijna allemaal tot op de laatste seconde bezig met het afmaken of vervolmaken van hun gedichten. Standaard ‘foto’s maken’ moet toch even georganiseerd worden, zeker als je wilt dat iedereen het ook daadwerkelijk doet. Dat kost zeker een aantal minuten, hoe simpel het ook is. En dan nog is het nergens een waterdichte garantie voor –leerlingen raken nogal eens wat kwijt, zelfs digitaal.
Toch allemaal het overwegen waard, daar ga ik mee aan de slag.

Ik zette alles op een rijtje, werd rustiger maar de spijt bleef enorm groot. Temeer daar de resultaten in een aantal klassen zo veelbelovend waren. Met een leraar had ik zelfs al besproken om er iets speciaals mee te doen, met al dat moois dat nooit allemaal in de revue terecht zou kunnen komen. Een gelegenheidsbundeltje, weet ik wat.
Weg alles en ik koester geen illusies, de kans dat we de inhoud van de rugzak met de spullen die voor de rovers nutteloos zijn terug vinden schat ik heel laag in.
Op het moment van de beroving was ik op weg naar mijn moeder, een half uur over de grens. Het was de bedoeling dat ik een etmaal zou overwippen, en dan weer naar Antwerpen zou terugkeren.
Dat ging door, een avond ook met zus en zwager volgde. Zaterdag overdag regelde ik nieuwe toiletartikelen, kocht scheerspullen, kwam tot mezelf. Mijn smartphone redde me, zus en zwager leverden me een oplaadsnoer dat zij over hadden.
Als dit me vier jaar eerder was overkomen, had ik het lastiger gehad. Volgens mij had je toen nog meer verschillende opladers, en als je de jouwe kwijt was, had je een probleem.
Vier jaar geleden stond ook al mijn e-mailverkeer nog niet op mijn telefoon, dat zou ook heel vervelend zijn geweest. Nu kon ik gewoon verder, te meer daar ook alle documenten die ik moest of wilde hebben via mijn telefoon beschikbaar waren. Een verdwenen laptop was nu niet onoverkomelijk, vier jaar geleden zou ik vast ook oplossingen gevonden hebben maar volgens mij met meer gedoe. En ik vermoed ook beperkter van omvang, ik zou me sneller bij onmogelijkheden hebben moeten neerleggen, schat ik in.
Boeiend op zich, die vergelijking, die voortgang van de technologie die zich hier manifesteert.
Weer zegeningen te tellen, ondanks alles.
Mijn paspoort ben ik kwijt maar al mijn pasjes heb ik nog en mijn bewijs van aangifte bij de politie opent genoeg deuren. Ik kan mijn reis voortzetten.

Advertenties